zondag 26 februari 2012

Is Heath Robinson een Rube Goldberg? Of andersom?

Ze zijn in Nederland niet zo bekend de bizarre tekeningen van cartoonist en illustrator William Heath Robinson (1872-1944). Hij is geboren in Londen als derde van zeven kinderen van Thomas en Eliza Ann (Heath) Robinson. Zijn vader was een bekend en geliefd illustrator die de Penny Illustrated Paper (PIP) een populaire voorloper van de Sunday krant van omslagen voorzag. In 1903 zou zijn zoon William met de dochter van de uitgever van PIP trouwen. William tekende cartoons voor tijdschriften, illustreerde sprookjes met prachtige Jugendstil tekeningen en schreef zelfs enige kinderboeken. Heath Robinson is vooral bekend om zijn tekeningen van ingenieuze, complexe uitvindingen die tegelijkertijd heel onpraktisch zijn door de onbeholpen gammele constructie en de vele energie die er nodig is om het werkend te maken (zie afbeelding aardappels schillen). Hij werd er beroemd mee. Zijn naam is een vaste uitdrukking geworden in de Engels taal en betekent zoiets als voor iets heel simpels een complexe oplossing bedenken die meer energie kost dan het oplevert. Zijn populariteit heeft hij misschien mede te danken aan de crisistijd en de WO II toen veel Britse huishoudens de weinige artikelen en materialen die er waren, hergebruikten voor allerlei vindingrijke toepassingen waarvoor ze oorspronkelijk niet bedoeld waren. Een code breekmachine door Engelsen ontworpen als antwoord op een de Duitse versleutelmachine Lorenz SZ40/42 kreeg de naam Heath Robinson.
De bedenksels van Heath Robinson zijn te vergelijken met de tekeningen van Rube Goldberg, een Amerikaan die ook absurde complexe apparaten als oplossing voor hele eenvoudige zaken bedacht. Ook Rube Goldberg werd er beroemd mee, de uitdrukking een ‘Rube Goldberg’ is een begrip in Amerika en als klap op de vuurpijl is er ook Rube Goldberg machine gemaakt. Deze machine is zeer complex en voert een heel simpele handeling heel langzaam en omstandig uit en via een soort kettingreactie die met allerlei huishoudelijke zaken als conserven blikjes, touwtjes, een tennisracket,.. wordt deze in beweging gezet.

De Amerikaanse band OK go maakte fantastische clips waar ze vele prijzen mee wonnen en via Youtube groeiden deze uit tot virale clips. Hun eerste filmpjes Here it goes again waarbij de vier bandleden een choreografie uitvoeren met behulp van 8 loopbanden had binnen 6 dagen een miljoen hits. Voor hun tweede video voor This Too Shall Pass (2010) maken ze gebruik van de Rube Goldbergmachine, een filmpje dat je absoluut niet mag missen:


Nieuwsgierig naar boeken van Heath Robinson; bij de bibliotheek kunt u ze lenen of aanvragen.

donderdag 23 februari 2012

Zalig zijn de schelen

Samen schreven ze een boek Betty van Garrel en Herman Pieter de Boer. Wat hen bij elkaar dreef en wat de rode draad van het boek zou worden is hun gezamenlijke liefde voor schele of loense mensen. Herman Pieter de Boer woonde destijds in Giethoorn. Betty ging in de weekeinden met de trein vanuit Amsterdam naar hem toe en samen vertelden ze elkaar verhalen over allerlei onderwerpen. De een schreef een stukje dat die aan de ander liet lezen die dat weer als inspiratiebron gebruikte. Als iemand niets te binnen schoot en de reeks stokte dan mocht als een soort troefkaart een stukje over scheel of loens kijken worden ingelast. Het zijn anekdotes, herinneringen, komische en merkwaardige voorvallen, invallen met soms een uitstapje naar een scheel of loens kijkende mens. Het boek is verlucht met foto’s, cartoons, reclame afbeeldingen en scheelkijkers uit lang vervlogen tijden die het boek een Monty Python look geven. Het boek, uitgekomen in 1972, verkocht slecht. Herman Pieter de Boer was nog niet de bekende veelschrijver die hij later zou worden. Het was het eerste boek waarvan hij in een interview zei dat hij het vanuit zichzelf schreef en dat het ging over dingen die hem bezig hielden. In de bundel zijn anekdotes opgenomen over schrijvers (en vrienden) als Jan Cremer, Rijk de Gooijer, Eelkde Jong, Johnny van Doorn en Cherry Duyns, afgewisseld met weemoedige herinneringen naar hun jeugd, de oorlogstijd, het leven op het platteland in Noordwest Overijssel en komische dagelijkse voorvallen als:
Ik draaide per ongeluk een verkeerd nummer en kreeg een deftige meneer aan de telefoon. ‘Met de Boer,’ zei ik, ‘spreek ik niet met Coenen?’ ‘Nee,’ zei hij, ‘maar intussen staat u al in mijn kamer.’ ‘Neem me niet kwalijk’,’zei ik, ‘ik heb zeker een verkeerd nummer gedraaid’. ‘En u gaat maar door,’zei hij met die sjieke kraakstem, ‘nu zit u al op mijn canapé!’
‘Het spijt me echt,’ zei ik. ‘Welja, en nu begint u al mijn boeken uit mijn kast te halen om te bekijken!’ ‘Ik zal maar ophangen,’zei ik. ‘Dat zou ik maar doen, want ik heb waarachtig geen behoefte aan inwoning. Bonjour.

Of
Bij mijn garage in Steenwijk maakte ik kennis met de chef. ‘Piest,’ stelde hij zich voor. Ik vroeg: ‘Hoe schrijf je dat?’ ‘Precies zoals je het doet.’In 1980 verscheen er een herdruk. De schrijver Karel van het Reve stak de loftrompet over het boek, de verkoop nam toe en het werd in kleine kring een cultboek. Bij componist Tony Eyk staat het op zijn nachtkastje en het is het lievelingsboek van de presentator Wim Brands bekend van de VPRO boekenprogramma’s op radio en tv.
Voorafgaand aan de Boekenweek 2012 zal er een nieuwe herdruk verschijnen bij afdh uitgevers. Maar wie niet zo lang wil wachten op dit merkwaardige boek die kan gewoon in de bibliotheek
terecht.

maandag 20 februari 2012

Zachtjes knetteren de letteren

In 1975 verscheen de anekdoten bijbel van de Nederlandse literatuur onder de spannende titel ‘Zachtjes knetteren de letteren’. De recensent van de Tijd veronderstelde dat de titel ontleend was aan een hebbelijkheid van de dichter A. Marja, van wie Ab Visser eens schreef: Hij was zo luidruchtig dat je hem mijlenver kon horen aankomen. Als hij bijvoorbeeld een wind liet, was het ook een wind, en geen bescheiden poepje. Hij beroemde er zich op dat hij een gat in een beschuit kon schijten; hij nam er in mijn bijzijn eens een proef mee: het lukte hem niet bij een Verkade-beschuit en wel bij een Bolletje, die dus blijkbaar van zachtere kwaliteit is. Zo'n wind van Marja drong door de plafonds van twee etages. Je kon bij wijze van spreken 's nachts wakker worden uit een nachtmerrie, waarin je dacht dat je je op zee bevond in zware mist en dat je gewekt werd door een misthoorn.
De bundel bevat een eeuw anekdotes vanaf de Tachtigers tot aan de jaren zeventig van vorige eeuw. De samensteller Jeroen Brouwers heeft de snedige stukjes onverkort overgenomen uit geschreven of gepubliceerd bronnenmateriaal overeenkomstig Brouwers stelregel dat de anekdote ‘eigendom’ van de verteller is. Het is een van de charmes dat de anekdotes niet hertaald zijn maar zich laten lezen in de oorspronkelijk tekst en stijl van meestal een collega schrijver. Brouwers kort bij sommige stukjes de tekst in met het teken [ ] maar doet dat op een wijze dat het tijdens lezen niet stoort. .
Zo schrijft Simon Carmiggelt over de begrafenis van J.C. Bloem op het kerkhof van Paasloo:
De onpraktische ligging van het gehucht had [ ] niet verhinderd dat ‘iedereen er was’. Dichters, romanschrijvers, essayisten, ze waren allemaal gekomen om afscheid te nemen. [ ]
‘Nadat A. Roland Holst had gesproken over het dichterschap van Bloem trad een man die niemand kende naar voren en zei, in het dialect van de streek: ‘Wat ie deed weet ik niet. Maar eh-hij was een goeie buur.’ Daarop knikte hij enige malen met een verlegen soort vastberadenheid en ging weer tussen de letterkundigen van Nederland staan. Ieder dacht dat de plechtigheid nu ten einde was. Maar plotseling nam een dikke, gevaarlijk vitale vrouw van middelbare leeftijd het woord. Ook iemand uit het dorp, maar ze had veel meer spraakwater dan die buurman. Ze behoorde tot een religieuze sekte en ze zette in harde zekerheden bol staande woorden uiteen, dat Bloem eigenlijk had geleefd als een zondaar. Haar merk zaligheid zou hem dan ook niet ten deel vallen. [ ] Toen ze eindelijk was uitgepreekt, zei Clara Eggink, die naast mij stond, ironisch: ‘Amen’.
Het was voorbij. De bezoekers gingen heen. Het kerkhof werd leeg. Alleen ik stond nog bij het hek te wachten tot de taxi mij zou komen halen. Bij het graf hielden zich twee in pilopakken gestoken mannen op, die met de verzorging van de dodenakker waren belast. [ ] Ze kwamen naar me toe, noemden mijn naam en vroegen of ik die meneer van de t.v. was. Ik antwoordde bevestigend. Toen bezorgden ze mij een even groteske als vernederende ervaring. De hele Nederlandse literatuur had aan dat graf gestaan, maar de ene man riep: ‘Ik zei al tegen m’n maat hier-d’r is één bekend gezicht bij.’


Achterin het boek zijn een persoonsregister en een bronvermelding toegevoegd zodat alles geverifieerd kan worden.
Bij een huldiging ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag werd hij [J.C. van Schagen] door een van de feestredenaars een ‘zachtzinnig anarchist’ genoemd, wat door de aanwezige journalist van de Provinciale Zeeuwse Courant verkeerd verstaan werd, zodat de krant de volgende dag meldde, dat Van Schagen een ‘zwakzinnig anarchist’ gehuldigd was.Eenvoudig te checken in de Zeeuwse Krantenbank met de kleine correctie dat het feestvarken zichzelf in zijn dankwoord een ‘zachtzinnig anarchist’ noemde en niet een van de feestredenaars. De dag erna volgde een rectificatie.
'Zachtjes knetteren de letteren'
bestaat voor het merendeel uit kostelijke anekdoten en het is haast zonde om deze in één keer te consumeren. Bij mij lag de bundel op het nachtkastje en iedere avond nam ik er voor het slapen gaan een ‘paar hapjes’ uit.

dinsdag 14 februari 2012

De stem van…

De stem van… is het boek van Wim Daniëls dat gaat over stemportretten en interessante weetjes over de stem. Veel mensen zijn gefascineerd door stemmen of het nu om zingen of spreken gaat. Als je naar de radio luistert dan merk je de kracht en bekoring die er van een stem kan uitgaan. Het kan zelfs zo ver gaan dat sommige mensen verliefd raken op een stem.

Naast verkiezingen als de beste buur, de grootste Overijsselaar is er ook de verkiezing naar de Mooiste stem van Nederland van bekende Nederlanders. Jan de Hoop kwam in december 2011 nipt als overwinnaar uit de bus.
Albert -Jan Sluis profileert zich op internet als stemacteur en hij meldt dat hij de meest bekende stem van Nederland is. Albert-Jan verhuurt zijn stem voor reclames, jingles, voice-overs en bezit een eigen studio. Nieuwsgierig luister en kijk want deze bekende stem krijgt nu een gezicht.
Hoog favoriet als stem en dat geldt zeker bij ouderen is de stem van Philip Bloemendal, de nieuwslezer van het vroegere Polygoon bioscoopjournaal die met de karakteristieke dictie in combinatie met zijn humor voor velen de ‘Stem van Nederland” was. Er is zelfs een gelijknamige Stichting die iedere twee jaar de Philip Bloemendal prijs uitreikt.



Maar het spectrum aan interessante stemmen is breder. Er zijn stemmen die nooit een prijs zullen winnen maar die door een afwijking in de stem juist heel aantrekkelijk kan zijn. Zo past Frans Bromets enigszins slome zeurstem heel goed bij zijn hardnekkige wijze van doorvragen naar het waarom, of Gerrit Komrij die spreekt in keurige volzinnen in ietwat bekakt Nederlands met een sardonische toon die past bij zijn bijtende teksten, of Simon Carmiggelt die in nog zorgvuldiger volzinnen sprak dan Komrij met zijn onnavolgbare stem waar melancholie en misprijzen in doorklonk om wat hijzelf omschreef zijn ‘stukkie’te voorlezen, of de stem van Godfried Bomans met zijn voortdurende tempo- en volume wisselingen soms samenzweerderig met zijn publiek kon overgaan naar een stem vol ingehouden pret om dan als contrast een korte, korzelige opmerking te laten volgen,



of de misschien iets overdreven articulatie gecombineerd met de heldere klank die de stem van Harmke Pijpers bijna Onnederlands maakt, of Chriet Titulaer die met zijn vlakke, monotone enigszins hese stem met Limburgs accent,



een nieuwe innovatie liet zien uit de Wondere Wereld zoals zijn tv-programma heette

Ze houden ons bezig de stemmen en we geven er vele namen aan: de venijnige stem, de aarzelende, de kraakstem, de donkerbruine stem, de matte stem, de falsetstem, de hese stem, de kakelstem, de piepstem, de basstem, de bromstem, de zoetgevooisde stem, de stem met een snik, de huilstem, de jankstem, de doffe stem, de charmante stem, de sexy stem, de verleidelijke stem, de expressieve stem, de warme stem, de metalen stem, de dominee stem, de graf stem, de zwoele stem, de hete-aardappel-stem, de bekakte stem, de emotionele stem, de vervoerende stem, de whisky stem, de doorrookte stem, de nasale stem, een onschuldig stemmetje, en…..

In komkommertijd duikt in de pers regelmatig op dat onderzoek weer eens heeft uitgewezen dat lage stemmen als sexy worden ervaren. De laagste vrouwelijke zangstem is de contra-alt. Bekende contra-alten zijn Adele, Annie Lennox, Astrid Nijgh, Hildegard Knef, Marlene Dietrich, Zarah Leander en de chanteuse Nico van de Velvet Underground. Deze stemmen variëren van een diep, rokerig naar zwoel en hees geluid, stemmen die door veel mensen als sensueel en verleidelijk worden ervaren. Het tegendeel is er ook. Om jongens hun sopraanstemmen te laten behouden liet men ze in vorige eeuwen voor hun tiende jaar castreren. Componisten als Mozart en Händel schreven voor deze castraatstemmen zangstukken. In de 17e eeuw en 18e eeuw nauw verbonden met de opkomst van de opera werden de castraatstemmen populair. Sterren als Farinelli en Senesino verdienden enorme honoraria.
De presentator Erik Hartman van het Vlaamse programma Boemerang werd na een tumultueuze uitzending waarbij hij zich niet in de hand kon houden tegenover een man met hoge stem, door zijn tv-bazen de wacht aangezegd. Enfin luister en kijk zelf maar.



Nieuwsgierig naar stemmen, lees dan het boek De stem van ..., te leen via de bibliotheek. 

donderdag 9 februari 2012

Een liefde van...

Een liefde van … is de titel van een boek met interviews die Betty van Garrel in de jaren tachtig hield met schrijvers, schilders en musici over hun eerste liefde. Onuitwisbare herinneringen zijn het.
Al kan Simon Vinkenoog zich alleen nog de hartstochtelijke omhelzing en de toepasselijke naam van de straat herinneren waar het gebeurde, de Smaksteeg. Het beeld van het gezicht en de naam van het meisje zijn na vijftig jaar uit zijn geheugen weggevaagd. Het kan vreemd gaan met zo’n eerste liefde.
Tijdens het lezen word je bewust hoe krampachtig er in sommige milieus vlak voor en na de WO II met de andere sekse werd (samen)geleefd. Het waren gescheiden werelden waar de liefde schuchter en soms bijna verborgen werd beleefd.
Zo niet bij Geert Lubberhuizen de latere uitgever van de Bezige Bij die met zijn vriend Max in een smal zijstraatje waar het meisje van hun dromen woonde, samen gingen staan fluiten als ze het licht in haar kamertje ontstak. Deze serenades hebben anderhalf jaar geduurd. Max hield er gewoon een keer mee op maar Geert bleef trouw op zijn post, tot op een avond een vrouw een teil met ijskoud water naar beneden gooide onder de toevoeging: “En nou moet het maar eens afgelopen zijn. Wegwezen jij!”.
Ook was er in die dagen veel standsverschil. Zo voelde Theun de Vries zich op het kleine, elitaire gymnasium in Apeldoorn geheel buitengesloten van het bourgeoisie milieu waar zijn klasgenoten toe behoorden. De Vries heeft de voor hem onbereikbare meisjes niet op de proef gesteld, hij werd verliefd op een oudere vrouw zijn lerares Engels. Tot zijn teleurstelling bleef het platonisch maar door haar heeft hij wel de Engelse literatuur goed leren kennen.
Dat was anders bij Carel Willink die studeerde in Delft en die op straat een meisje ontmoette. Ze was hoedenmaakster, heette Christien, was zes jaar ouder en had al een kind iets wat Willink pas veel later te weten kwam. Met haar beleefde hij zijn eerste liefde maar hij moest zich na verloop van tijd wel onder behandeling stellen van een huidarts ondanks haar verzekeringen dat hij de enige was. Het bekoelde hun relatie en hij meende dat ze hem niet achterna zou reizen als hij naar Berlijn zou gaan. En zo geschiedde. Willink is verder gegaan in de schilderkunst en zo heeft Christien toch haar invloed doen gelden.
Jan Cremer groeide op met zijn alleenstaande moeder die werkster was en met een raar Hongaars accent sprak. Moeder en zoon, ze hoorden er in Enschede niet echt bij. Via het Armenbestuur en het Internationale Rode Kruis kwam hij terecht in een Duits kindertehuis en verbleef hij daar een jaar. Daar ontmoette hij Schwester Jana die net zo vreemd sprak als zijn moeder maar dan met een Pools accent, op haar werd hij verliefd met haar korenblond haar, brede jukbeenderen, zware boezem en volle heupen. Eens zei ze tegen hem, later gaan we trouwen. Dat klonk als een belofte en zijn verliefdheid heeft lang geduurd. Toen hij weer terug was in Enschede stuurde hij haar geregeld ansichtkaarten. Schwester Jana heeft hij nooit meer gezien. Maar decennia later als Cremer naar Duitsland gaat dan voelt hij nog steeds ontroering voor de Duitse vrouw waarvan de man aan het front is. En over die vrouwen die thuis alleen achterblijven om voor huis en kind te zorgen, zegt hij, het lijden staat die vrouwen op hun gezicht geschreven en toch houden ze die warmte hè.
Jan kende schrijfster Betty van Garrel uit zijn jonge jaren als kunstenaar. Op internet zwerft nog een prachtige foto rond van Armando, Jan Cremer, Cor Vaandrager en Betty van Garrel waar ze in de Haagse Salon voor een groot abstract schilderij staan. Cremer omschreef Betty van Garrel eens als "een mollig vrouwtje, roze als een pas geschrobd varkentje met de stem van Miss Piggy, die wekelijks haar opstelletjes voor de pagina Mensen, Dieren, Dingen ter beoordeling voor kwam leggen”. Betty van Garrel (1939-) schreef voor de Haagse Post, het roemruchte blad Hollands Diep en het Cultureel Supplement van NRC Handelsblad over beeldende kunst, schreef schrijversportretten en werkte mee aan tv kunstprogramma’s.

Veel eerste liefdes blijven onbeantwoord en waarom… Jacqueline de Jong was zo erg verliefd op haar Ilja dat ze in wanhoop haar polsen voorzichtig doorsneed. Dertig jaar later ontmoet ze hem in een winkel, een middelbare man met wat grijs haar aan de slapen en ze herkent hem aan zijn licht Twents accent. Ze praten en halen herinneringen op tot ze hem vertelt hoe verliefd ze op hem was geweest. Hij reageerde dat hij het helaas nooit door had gehad. Ja zo kan het dus gaan maar gelukkig is er tegenwoordig Valentijn!
Het boek De liefde van ...is te leen bij de openbare bibliotheek.

dinsdag 7 februari 2012

Cyriel Buysse (1859-1932)

In 1917 was het koud, bitterkoud, de Zuiderzee en de Waddenzee waren bevroren en een oversteek naar de Waddeneilanden deed men te voet met gevaar voor eigen leven. De grachten, meren en plassen in Nederland waren bevroren en die er tijd voor hadden, gingen schaatsen. Eind januari werd er een Elfstedentocht gehouden. De Vlaamse fabrikantenzoon Cyriel Buysse, getrouwd met de vermogende Nederlandse weduwe Nelly Dyserinck, woonde op dat moment in Den Haag ver van het oorlogsgeweld dat zijn land teisterde. Het is bekend dat de echtparen Couperus en Buysse met elkaar waren bevriend. In 1916 schreef Couperus het schaatsverhaal ‘Het stille geneucht’ dat door schaatskenner Max Dohle herspeld is tot ‘Het stille genot’. Het is laatste wat je van die artistieke en decadente Couperus zou verwachten dat hij in sneeuw en ijs de ijzers onderbindt. Wie weet misschien heeft hij Buysse weten te inspireren tot het schrijven van zijn boek ‘De roman van een schaatsenrijder’ (1918) dat heel direct opent met: “Ik wil u een en ander vertellen uit het leven van een schaatsenrijder. Die schaatsenrijder ben ik.” Deze roman gaat niet alleen over zijn hartstochtelijke liefde voor het schaatsen maar ook over zijn verloren liefdes. Al bij de eerste aanblik van een meisje kon Buysse als aan de grond genageld staan en wist hij met zekerheid dat hij verliefd was. Als 18-jarige vat hij een gepassioneerde liefde op voor de paar jaar oudere herbergierdochter Tieldeken van Meylegen. Met zijn bootje vaart hij zomers door het gebied van de Meylegemse Meersen en landt hij aan bij de herberg “In het Gemeentehuis”. Verliefd zijn is prettig maar ook pijnlijk. Zeker als je met haar alleen bent in de gelagkamer, en je schuchter voelt en niets weet te zeggen of in gezelschap met ruwe ongemanierde kerels die met hun smakeloze, grove grappen Tieldeken uitlokken dan voelt de jonge Buysse zich gegeneerd en vindt hij haar beeld ontheiligt. “Zoo was er eens een die mij zei, terwijl Tieldeken hem in den kelder een glas bier ging halen:
—’t Es ’n malsch poezeken, e-woar, meniere; moar ’t es spijtig da ze kromme bienen hêt.Een golf van bloed steeg naar mijn hoofd. Kromme beenen! Daar had ik nooit iets van gemerkt. Hoe wist die kinkel....!”
Die opmerking bleef bij Buysse hangen en maakte hem iets minder smoorverliefd. Maar in de wintermanden erna toen er een lange vorstperiode aanbrak, trok hij als één van de eerste (kunst)schaatsers uit de streek naar de herberg in Meylegem. Daar voor de herberg op de windstille ijspiste vertoonde hij zijn sierlijke kunsten van het draaien van krullen en rondjes op het ijs waar hij een ware meester in was. De beloning kwam toen Tieldeken haar hand voor haar mond sloeg en in verbazing vroeg waar hij dat geleerd had. Maar het liep zo geheel anders af ….

Jaren later als hij zijn kennissenkring heeft uitgebreid ziet Cyriel tijdens een schaatstocht voor een kasteel de knappe jonkvrouw Quiline op wie hij op slag verliefd raakt. Hij laat zich dit aan zijn artistieke vrienden ontvallen die van plan zijn hem er mee te plagen door de nietsvermoedende jonkvrouw te confronteren met de Buysse’s verliefdheid. Ironisch genoeg ‘noemt hij zijn geliefde ‘ijsliefde’.

Als hij op de leeftijd is dat men verwacht dat hij zijn vader opvolgt in de zaak, wordt hij op studiereis gestuurd naar Amerika om te zien of er markt is voor het oprichten van een cichorei fabriek. Tijdens het schaatsen ontmoet hij Maud waarvoor hij als een blok valt. Maud is de dochter van een rijke selfmade man die het gebracht heeft tot miljonair die van zijn vrouw ‘uit zaken’ moest en ‘in society’ zodat zijn dochter Maud toegang kreeg tot de huwelijksmarkt voor de rijken. Buysse ervaart dat Amerika het land van de onbegrensde mogelijkheden toch beperkingen heeft.
De roman kwam in 2009 in herdruk uit, verscheen eerder als deel in de bundel 'Tweede Cyriel Buysse omnibus' in 1968. Via ebooks galerij kun je de online versie te lezen.

vrijdag 6 januari 2012

Intekenlijst

"Kennis komt voort uit het leggen van verbanden tussen schijnbaar losstaande feiten, maar hoe kom je aan de afzonderlijke elementen” schrijft Connie Palmen in haar boek Lucifer. Graag wil ik dit uittesten op een oude intekenlijst bij het boek “Albert Neuhuys : zijn leven en zijn kunst” door W. Martin. Aan het begin van de vorige eeuw was het niet ongebruikelijk om bij dure uitgaven de belangstelling te peilen door een intekenlijst. Het is een lijst met willekeurige namen en adressen en het enig gemeenschappelijke is de interesse voor het boek van schilder Neuhuys. Genoeg afzonderlijke elementen maar levert dat ook context en nieuwe kennis op?

De intekenlijst bestaat uit 3 losse vellen. Bovenaan in de kop is er voorgedrukte tekst met de naam van de intekenaar, de titel en de auteur van het boek met vermelding van de prijs. In 1915 zal men de tekst naar de drukker hebben gebracht, het oogt professioneel maar het kostte ook geld. De lijst bestaat uit 3 kolommen: aantal exempl., naam (duidelijk svp) [men had ervaring!] en adres. De kolom aantal exempl. was overbodig want deze is of niet ingevuld of de intekenaar vond 1 exemplaar voldoende. Bij de naam van de intekenaar is op 4 plaatsen op de lijst een stempel gezet. Duidt dit erop dat de lijsten rouleerden langs particulieren en instellingen want het is toch nauwelijks denkbaar dat kopers een stempel meenamen als ze naar de boekhandel gingen? Of bracht de uitgever of een verkoper een bezoek aan de potentiële kopers. Dat laatste zou er voor pleiten dat de tocht dan een logische route zou moeten zijn. Niets is echter minder waar, de route gaat van het centrum in Den Haag, naar Scheveningseweg, terug naar het Lange Voorhout, Loosduinen, Den Haag, Leiden, Den Haag, Breukelen, Amsterdam op diverse adressen, Haarlem, Rotterdam en uiteindelijk weer terug naar Den Haag. De lijsten zijn beschreven met een vul- of kroontjespen of met potlood. De handtekeningen zijn krachtig en groot genoteerd.

Een aantal namen intrigeert zoals H.M. Koningin-Moeder en de schilder W. Maris. Je vraagt je af of je kijkt naar het handschrift van de Koningin-Moeder of naar dat van een dienaar aan het hof. Bij veel intekenaren staat een instelling of bedrijf genoemd. De professionele interesse kwam van bibliothecarissen, secretarissen en penningmeesters van musea maar ook van galeries en kunsthandels. Zo op het oog is het een willekeurige verzameling van namen van instellingen en personen. Vroeger was het een lastige klus om bij deze summiere informatie achtergrondgegevens te vinden. Met de opkomst van internet is dit veranderd, zo kun je grasduinen in oude krantenarchieven, zoeken in de databanken van gemeentearchieven en kun je ook nog eens zoeken op straten en huisnummers in Google map. Namen die weinig zeggen krijgen bij het zoeken wat meer body en soms kunnen ze uitgroeien tot een klein verhaal.

De intekenlijst bestaat uit 3 losse vellen. De intekeningen zijn geclusterd op plaatsnaam. Er is enige redenen om aan te nemen dat de intekening startte in Den Haag omdat dit vel eindigt met het Rijksprentenkabinet te Amsterdam en het 2e volgeschreven vel begint met Amsterdam en eindigt met 2 inschrijvingen uit Haarlem. Het laatste vel is niet volgeschreven en begint met Rotterdamse inschrijvingen.

De eerste naam op de lijst is Frederik Jan Louis Krämer (1850-1928) Hij was hoogleraar en nam om gezondheidsredenen ontslag en accepteerde in 1903 de baan van directeur van het Koninklijk Huisarchief. Hij gaf les aan prinses Wilhelmina, prinses Juliana en prins Hendrik.

Abraham Bredius was onder meer directeur van het Rijksmuseum en het Mauritshuis. Hij raakte in opspraak toen hij het schilderij De Emmaüsgangers aan Johannes Vermeer toeschreef. Hij woonde aan de Prinsengracht 6 ( zie afb. links ) waar na zijn dood het museum Bredius werd gehuisvest. In het museum was de tijdens zijn leven opgebouwde collectie 17e eeuwse kunst te zien. In 1985 moest het museum om financiële redenen sluiten, maakte in 1990 een doorstart en het museum verhuisde naar de Lange Vijverberg 14 waar eerder de hieronder genoemde heer Cremers woonde.

R.A.W.J.J. Cremers (1876-1928) in de Almanak Gotha wordt hij genoemd als Nederlands diplomaat maar hij was vooral kunstverzamelaar van moderne kunst en woonde in het fraaie pand aan de Vijverberg 14 (zie afb. rechts) . Hij bezat een belangrijke collectie Marissen. In 1915 was een deel van zijn verzameling dat onder meer bestond uit werk van de Haagse school in het Haags Gemeentemuseum te zien. Vijf jaar later kwam de catalogus “Tableaux et aquarelles modernes collection Mr. R.A.W.J.J. Cremers la Haye” die door Frederik Muller is uitgegeven. Volgens de bevolkingskaart was hij Doopsgezind en was hij voor een tweede maal gehuwd.

Arie Cornelis Volker (1861-1924) was zoon van Adriaan Volker die samen met zijn broer eigenaar was van het Sliedrechtse aannemersbedrijf A. en D. Volker. Arie was een rasechte ondernemer met visie, hij breidde het familiebedrijf succesvol uit met baggerwerkzaamheden en was samen met zijn neef één van de oprichters van N.V. Electro-Apparaten Fabriek Systeem Coq. Van Arie Volker is bekend dat hij kunst verzamelde. Zijn zwager was de Haagse kunstverzamelaar Hilde Nijland. In 1910 sukkelde Volker met zijn gezondheid, trok hij zich terug uit de zaak en ging hij wonen in Den Haag aan de Oude Scheveningseweg 106 (afb.links). Zijn weduwe verhuisde later naar een mooi pand aan de van Stolkweg 7a de straat waar ook de heer P. Versteeven op nummer 34 woonde.



De heer P. Versteeven (1855-1928) was een telg van de blauwsel en verffabriek Van Duura&Versteeven en commissaris bij van Hillen’s sigarenfabriek . Hij woonde in een fraaie villa (zie afb. rechts) aan de van Stolkweg 34 en had een verzameling moderne schilderkunst onder meer van de gebroeders Maris.

H..G. Wolters penningmeester van de befaamde Pulchri Studio een Haags schildergenootschap die sinds 1901 aan het Lange Voorhout 15 haar domicilie heeft. Op de begrafenis heeft Wolters namens de Pulchri Studio een grafrede gehouden evenals A. Hesselink namens Arti et Amicitiae (zie verderop).

W. Maris (1872-1929) Loosduinen . Het is niet de beroemde schilder Willem Maris die overleed in 1910 maar zijn neef Willem Matthijs (Jbzn), zoon en leerling van Jacob Maris. Hij schilderde, aquarelleerde, tekende en etste landschappen, figuren en veel portretten.

D. de Wild uit Den Haag is waarschijnlijk Derix de Wild (1869-1923) telg uit beroemd geslacht van restaurateurs die het atelier aan de Laan van Meerdervoort 406 van zijn broer Carel voortzette. Derix is de vader van de bekende Martin de Wild eveneens restaurateur. Het was niet ongebruikelijk dat restaurateurs een inponsing in het hout van een spieraam zette (zie afbeelding rechts).

De directeur van het R Prentenkabinet te Leiden (onleesbaar). Het is niet gelukt om de directeursnaam te achterhalen. Het Rijks Kabinet van Prenten was gelegen aan het Rapenburg 17 (zie afb. links) te Leiden.

H.M. Koningin-moeder Emma Waldeck- Pyrmont Den Haag. Opvallend is dat de schrijver eerst konigin heeft willen schrijven maar zich op tijd herstelde en de ingezette staart van de letter g kon aanpassen in een n zodat er koningin kwam te staan. Het paleis aan het Lange Voorhout was haar winterpaleis. Uit krantenverslagen is te achterhalen dat ze van veel kunsttentoonstellingen de opening bijwoonde. De Oranjes bezaten een belangrijke collectie schilderijen die ze bij gelegenheid af stonden voor exposities.

Jonkheer J. Loudon (1866-1955) te Den Haag was diplomaat en minister van Buitenlandse Zaken ten tijde van de ondertekening. Het lijkt of het handschrift bij zijn naam ondertekening van dezelfde hand als die van H.M. Koningin-Moeder.

Het Departement van Binnenlandse Zaken; in die tijd was Pieter Cort van der Linden minister van Binnenlandse Zaken. De ondertekening lijkt meer een paraaf.

Peter Frederik Thomsen (1856-1916) was de zoon van de Deense zeeman/stuwadoor/houthandelaar die in 1873 het havenbedrijf Thomson & Co oprichtte. In 1891 zette Peter na het overlijden van zijn vader het bedrijf voort. Hij was kunstverzamelaar van onder meer Israels, Weissenbruch . In 1916 werd hij voor zijn woning aan de Nieuwe Parklaan 77 (Het Rotterdams Nieuwsblad spreekt over de Badhuisweg) in Scheveningen door een auto geschept en overleed hij op zestig-jarige leeftijd aan zijn verwondingen. In 1932 werd zijn collectie kunst en meubilair geveild.

Michiel Onnes van Nijenrode (1878-1972) werd schatrijk met de koffiehandel ten tijde van WO I. Hij kocht in 1907 de ruïne van het middeleeuwse kasteel Nijenrode en liet het restaureren voor 1.250.000 gulden en in de staat brengen waarin het vandaag de dag nog steeds verkeert. In korte tijd bracht hij een verzameling kunstschatten van topkwaliteit bij elkaar maar hij kreeg financiële problemen. In 1930 verkocht hij het kasteel aan de Joodse kunsthandelaar Jacques Goudstikker onder de voorwaarde dat hij er mocht blijven wonen. In 1932 zet Onnes een diefstal van zijn eigen schilderijen in scene om verzekeringsgeld te kunnen incasseren. Hij zat een jaar in voorarrest en wordt na een geruchtmakende zaak waarbij commissarissen van de Amsterdamse politie op non-actief werden gesteld. Er waren twijfels rondom getuignissen en uiteindelijk wordt Onnes veroordeeld tot de tijd dat hij in voorarrest zat.

Rijksprentenkabinet Amsterdam is ondergebracht in het Rijksmuseum.

Kunsthandel C.M. van Gogh aan het Rokin 115 Amsterdam was gerenommeerd en stond bekend om de vele tentoonstellingen van kunstenaars met naam. Oprichter was de oom van van Vincent van Gogh, Cornelius Marinus. Door zijn neefje werd hij vaak als CM aangeduid. De kunsthandel had een pand aan de Kneuterdijk 16 in Den Haag en één aan de Keizersgracht 453. In 1912 betrok men een pand met zalen aan het Rokin 115. Het was voor korte duur want eind jaren twintig werd het gebouw grotendeels gesloopt en vervangen door nieuwbouw van de Algemeene Friesche Levensverzekerings Maatschappij. Op de foto ontleend aan de Beeldbank te Amsterdam is het gebouw van de verzekeringsmaatschappij, links naast Van Ditmar's Boeken Import te zien.

C.J. van Wisselingh en co, kunsthandelaar had zijn bedrijf aan het Rokin 78/80. De foto (links)dateert van 17 december 1982 en in de weerspiegeling van de ruiten is een stukje straatbeeld uit die jaren te zien. Maar bij goed inzoomen zie je in de linkerruit van de etalage het beroemde schilderij 'Het gele huis" van Carel Willink. Het onderwerp heeft Willink ontleend aan een huis in de Vossiusstraat (nu hotel Piet Hein) en het ziet er nog nagenoeg uit als in die tijd. Op het schilderij is een donkere, dreigende zwarte lucht te zien en je verwacht een klap onweer te horen, op de voorgrond liggen wat verwaaide papieren. Het gele huis rijst strak omhoog en in de ruiten weerspiegelen zich de donkere, naakte takken van een boom. Dit schilderij uit 1934 werd voor de oorlog door Bordewijk beschreven en hij projecteerde sluimerende gevoelens van liefde in het huis en zijn bewoonster. Het verhaal verscheen op 9 december 1939 in de Groene Amsterdammer en is fulltext te lezen in het historisch archief. De schrijver H.J. Smeding zag deze romatiek niet en schreef een eigen verhaaal. Het was aanleiding om een achttal schrijvers van naam te vragen het gele huis te beschrijven. Het boek beleefde in 1978 een herdruk.

M.P. Voûte (1856-1928) koopman was steenrijk. Hij bezat een grachtenpand aan de Herengracht 475 (rechts beneden) dat 'Het huis aan de bocht' wordt genoemd, een stadspaleis dat gezien wordt als een van de mooiste huizen van Amsterdam. In Schaarsbergen bezat Voûte de buitenplaats Groot Warnsborn en in Bennebroek (Vogelenzang) de prachtige villa Casa Nuova . Voûte was een belangrijk kunstverzamenlaar en meacenas die schilderijen schonk of in bruikleen gaf aan musea. Als bestuurslid was hij onder meer verbonden aan de Rembrandtvereniging en het Rijksmuseum. In 1912 spande hij een proces aan tegen Albert Neuhuys omdat hij met van mening verschilde over de prijs van het schilderij dat de schilder van zijn echtgenote maakte.

Johan Caspar Sommer (1859-1937, Roelof Hartstraat 138 te Amsterdam, was officier en getrouwd met Maria Kuller. Albert Neuhuys heeft beide echtelieden geportretteerd. Als commandant leidde Sommer de militaire wielrijders. In 1894 publiceerde hij een 'Handleiding voor den militairen wielrijder'.

Julius Röntgen (1855-1932) pianist, dirigent en componist groeide op in zijn geboortestad Leipzig en trad als muzikaal wonderkind op in de grote Duitse steden. Hij werd voorgesteld aan Franz Liszt voor wie hij één composities ten gehore bracht. Hij was bevriend met Edvard Grieg. Hij was een belangrijk man in het Amsterdamse muziekleven en was betrokken bij de oprichting van het conservatorium en het Concertgebouw. Na zijn pensioen ging hij wonen in de villa Gaudeamus , een ontwerp van zoon Frans in de stijl van de Amsterdamse school maar gemengd met Noorse invloed. Na WO II had in het huis de Stichting Gaudeamus zijn onderkomen en was het een ontmoetingscentrum voor tal van jonge buitelandse en Nederlandse componisten waarvan velen later beroemd zijn gevonden.

A. Hesselink (1862-1930), was een Gronings beeldhouwer die na in Florence en Haarlem te hebben gewoond aan architect J.H.W. Leliman opdrachte gaf een hoekvilla met beeldhouwersatelier aan de Teniersstraat 8 te ontwerpen. In het stadsarchief Amsterdam heb je via de indexen toegang tot de woningkaarten. Zoekend op Teniersstraat 8 krijg je 4 treffers waarvan op 2 kaarten de namen van de families staan die daar gewoond hebben. Eén kaart dateert van voor WO II. De eerste bewoner is H. Abraham. Deze naam is een omzetting van Abraham Hesselink. Curieus zou de ambtenaar van de burgerlijke stand Hesselink verkeerd hebben begrepen toen hij zijn naam opgaf. Deze kaart is interessant omdat het huis veel bekende bewoners heeft gekend. Zo woonde er na Hesselink de bekende kunsthandelaar Jacques Goudstikker die leerling van bij professor Martin. Na Goudstikker woonde professor Walther Illnerer, daarna de familie van der Does de Willebois en de halfbroer van de graficus M.C. Escher de componist Rudolf G. Escher.
Hesselink was vele jaren voorzitter van de Amsterdamse kunstenaarsvereniging 'Arti et Amicitiae'. In het gebouw van de vereniging werd in 1914 een tentoonstelling gehouden waarbij Hesselink een openingswoord hield.

Anton Averkamp (1861-1934) was componist, docent, directeur en woonde aan de Vondelstraat 19 (zie bouwtekening links; 2 woonhuizen 17-19). Hij was mede oprichter van de stichting BUMA die na de auteurswet van 1912 in 1913 werd ingesteld. In het bestuur had hij de functie van secretaris. Hij was korte tijd dirigent, muziekrecensent bij het weekblad 'De Amsterdammer' en auteur van diverse muziekboeken.

Margot van Wulfen (1877-1948) was dochter van de bekende Larense hoofdonderwijzer Jan van Wulfen die na zijn dood vereerd werd met een stenen bank aan de Brink. Margot heeft in 1910 opdracht gegeven tot de bouw van het 'witte'huis op de Brink dat er nog steeds staat (zie foto rechts). Albert Neuhuys heeft van Margot een portret geschilderd. Ze was bevriend met de bloemenschilderes Lucie Wittig-Keijser.

Eduard Brom ( 1862-1935) directeur van een verzekeringskantoor en Rooms Katholiek dichter. Hij was onder de invloed van de beweging van de Tachtig. Hij woonde aan de Vondelstraat 83 en was voorzitter van de katholieke kunstkring 'De Violier'. Een bloemlezing uit zijn werken werd bezorgd door Anton van Duinkerken. Brom was geliefd om zijn aimabiliteit en waarachtigheid. Er ging geen gelegenheid voorbij of hij werd in het zonnetje gezet met een gedicht of een artikel in de krant. De foto links is gepubliceerd ter gelegenheid van zijn zestigste verjaardag.




Baruch Lopes de Leao de Laguna (1864-1943) bekend portretschilder die aanvankelijk in Amsterdam woonde maar vanwege de gezondheid van zijn vrouw naar het Gooi trok en daar op diverse plaatsen woonde onder meer aan de Nieuwe Spiegelstraat 6 Bussum. Laguna was een vriend van Neuhuys en is een belangrijke vertegenwoordiger van de Larense groep. Hij schilderde portretten van Colijn, Philips en Domela Nieuwenhuijs en kreeg van de koningin een gouden medaille uitgereikt.. In de oorlog werd hij opgepakt en getransporteerd naar het kamp Auschwitz waar hij in november 1943 werd vermoord, zijn vrouw Rose trof hetzelfde lot in februari 1944. Eén thuiswonend kind heeft de oorlog overleefd. In het krantenarchief van de Laarder Courant Bel is een interview met hem te lezen.





Mr. G. Vissering (1865-1937) was president van de Nederlandse Bank en lid en ondervoorzitter van de Zuiderzeeraad. Hij stamde uit een Oostfries doopsgezind geslacht en was zoon van de minister van Finaciën Simon Vissering. Hij woonde aan de Keizersgracht 71 (foto links) waar onder meer Cornelis Trip en de Duitse archeoloog Heinrich Schlieman de ontdekker van Troje hebben gewoond.

J. Krol (1848/49-1916) hoofd-administrateur bij de Deli-maatschappij woonde in een vrijstaande villa gebouwd in 1885 in neo-renaissance stijl. De villa gelegen aan de zuidoostzijde van het Florapark 8 in Haarlem, is gebouwd in opdracht van Jan Krol Kzn. Het pand is thans (1993) in gebruik als kantoorruimte. In 1914 schonk hij 113 schilderijen, tekeningen en aquarellen aan de gemeente voor de oprichting van een standbeeld van Frans Hals. Hij moet een bijzonder charitatieve instelling hebebn gehad want ouders die het aan geld ontbrak om hun kind verder te laten studeren en dit aan de krant lieten weten, werden naar hem doorverwezen.

Alfred Rudolph Zimmerman (1869-1939) was burgemeester van Dordrecht en Rotterdam en getrouwd met Henriëtte Maris. Hij geldt als een krachtdadig en autoritair bestuurder, men vegeleek hem wel met een 17e eeuwse regent. Hoewel hij niet partij politiek was, had hij een sterke affiniteit met de ideëen van de Oud-liberalen. Hij beschouwde de elite als de drijvende kracht in de maatschappij en had weinig waardering voor socialisten. Toen in 1919 socialisten in de gemeenteraad zitting namen was het tijd om voor hem te vertrekken. Hij woonde aan de Esschenlaan 46, een straat met villa's maar ook gewone woonhuizen liggend aan de rand van een park.

Jan Hudig (1838-1924) cargodoor, reder en bestuurder. Op betrekkelijk jonge leeftijd verloor hij zijn vader en had hij op 20 jarige leeftijd de zorg voor een aantal bedrijven. Door zijn verstandig inzicht en innemend karakter won hij snel vertrouwen en werd hij al snel gevraagd voor allerlei politieke en maatschappelijke functies. Hij zat jaren in de gemeenteraad en was geknipt voor het ambt als burgemeester maar toen de minster hem vroeg, aanvaardde hij deze benoeming niet maar accepteerde wel toen men hem vroeg als wethouder. Hij woonde aan de Leuvehaven 40 in een huis met een hardstenen gevel dat waarschijnlijk gebouwd is door Jan Giudici, een Italiaanse architect van grote naam die zich vestigde in Rotterdam. Tijdens het bombardement in mei 1940 werden er vele woningen vernield en later gesloopt.

Es G.L.M. van Es (1865-1949) tabakshandelaar, voorzitter van de Rotterdamse vereniging Toonkunst, consul voor een aantal landen en kunstverzamelaar. Hij was rijk en ondernemend, kocht woeste gronden op in Drenthe zoals het 650 ha grote Mandeveld om deze te ontginnen. In juni 1923 houdt de firma Frederik Muller & Co een veiling van moderne schilderijen en aquarellen uit de collectie G. L. M. van Es en uit ander particulier bezit; werken van Bauer, Breitner, De Bock, Dupont, Van ' Gogh, Hart, Nibbrig, Is. Israëls. J. en W. Maris, Mauve, De Moor, Poggenbeek, Rink, Toorop, Verster, Weissenbruch, Wiggers, Witsen, De Zwart, Alma Adema, Neuhuys, B. C. Koekkoek en nog vele anderen. Hij woonde aan het Westplein 11 te Rotterdam, nu een rijksmonument gebouwd in rijke neo-Renaissance stijl en ontworpen door architect T.L. Kanters.

Mr. A.L.C. Kleyn (1850?-1921?), advocaat/notaris in Nederlands-Indië, woont vanaf eind 19e eeuw in Den Haag. Hij is getrouwd met Carolina Eschauzier. Samen met zijn zwager (of neef) heeft hij aanzienlijke belangen in Indische fondsen en Cultuurmaatschappijen. Van zijn zwager die in 1931 gestikt wordt doordat kidnappers hem een doek met chloroform onder de neus houden en die in kist wordt teruggevonden in een pakhuis, wordt gezegd dat hij minstens miljonair was. Kleyn was verzamelaar en bouwde een aanzienlijke collectie moderne kunst op met onder meer een Neuhuys. Aan het Ethnografisch Museum in Leiden schonk hij een bundel Japanse prenten rondom het thema de Japans-Russische oorlog. De familie Kleyn woonde aan de Laan van Copes van Cattenburch nr. 54 (rechts naast de brandweerwagen).

Misschien is het niet zo verbazingwekkend dat over bijna alle personen en hun woningen informatie te vinden is. Ze behoren bij de maatschappelijke en culturele elite en woonden in prachtige huizen die in de loop der tijd veelal onder een ‘beschermende’ Rijksmonumentenwet vielen zodat er veel gespaard is gebleven.
Ondanks de mooie handschriften zijn niet alle namen op de intekenlijst goed te lezen. Met wat puzzelwerk en ‘lucky guesses’ blijft er slechts een intekenaar over wiens identiteit niet is te achterhalen (arch. J.G.F. Hobbemastraat 5??). Het zoekwerk was spannend en best wel sexy omdat het een inkijkje biedt in het leven van BN’ers van honderd jaar geleden. De Historische krantenbank van de Koninklijke Bibliotheek is daarbij een belangrijke bron met aan de ene kant nieuwsfeiten over een gefingeerde inbraak met ‘corrupte’ politiecommissarissen die op non-actief worden gesteld tot de advertentie oproep om te solliciteren naar de baan van 3e dienstmeisje met als enige taak het opdienen van de maaltijden.
Veel bekende personen op de lijst zijn terug te vinden in Wikipedia dat een (redelijk) volledig beeld geeft over een persoon. Voor aanvullende informatie is gezocht in lokale/regionale kranten, stadsarchieven, de burgerlijke stand en de archieven van Elseviers Maandschrift en de Groene Amsterdammer. In Google maps is gecheckt of de adressen kloppen, de huizen er nog staan en in voorkomende gevallen zijn aan Streetview afbeeldingen ontleend. Het was leuk om te doen, het heeft iets weg van schatgraven als je op een authentieke bevolkingskaart stuit met de doorgehaalde namen van eerdere bewoners, of via Funda.nl een kijkje neemt in de woning van de bemiddelde Eduard Brom en een visuele rondgang maakt langs de vele oorspronkelijke bouwelementen van zijn prachtige woning, of verslagen leest over de mysterieuze moord op Eschauzier, of Willinks bekende schilderij het Gele huis herkent in de etalage van een kunsthandel of….

Maar levert deze zoektocht iets extra’s op? Geeft het kennis? Op de lijst domineren de mensen die vakmatig of commercieel geïnteresseerd zijn. Het zijn handelaren, kunstenaars en (kunst)verzamelaars en geportretteerden allen bezig met een doel het kopen en verzamelen van schilderijen. Veel van de intekenaars bezaten een Neuhuys. Bij de zoektocht stuitte ik in de laatste fase op een artikel van 28 mei 1914 uit het Nieuws van den Dag waarin Abraham Hesselink een toespraak houdt bij de tentoonstelling Albert Neuhuys die kort na zijn dood is gehouden. Tijdens deze bijeenkomst zullen de eigenaren van schilderijen die een schilderij tijdelijk voor de expositie afstonden ongetwijfeld zijn uitgenodigd. Het is een heel logische gedachte om bij deze groep van belangstellenden een intekenlijst te leggen voor een boek dat op het punt staat uit te komen. Zogezegd smeden wanneer het ijzer heet is. Het zou veel verklaren maar niet de clustering van plaatsnamen want dan die zou dan veel willekeuriger moeten zijn. Eerst vraag ik het boek van W. Martin aan bij de SAB om te verifiëren wie de eigenaren zijn van de schilderijen.




















Meer informatie volgt later