Den Haag ver van het oorlogsgeweld dat zijn land teisterde. Het is bekend dat de echtparen Couperus en Buysse met elkaar waren bevriend. In 1916 schreef Couperus het schaatsverhaal ‘Het stille geneucht’ dat door schaatskenner Max Dohle herspeld is tot ‘Het stille genot’. Het is laatste wat je van die artistieke en decadente Couperus zou verwachten dat hij in sneeuw en ijs de ijzers onderbindt. Wie weet misschien heeft hij Buysse weten te inspireren tot het schrijven van zijn boek ‘De roman van een schaatsenrijder’ (1918) dat heel direct opent met: “Ik wil u een en ander vertellen uit het leven van een schaatsenrijder. Die schaatsenrijder ben ik.” Deze roman gaat niet alleen over zijn hartstochtelijke liefde voor het schaatsen maar ook over zijn verloren liefdes. Al bij de eerste aanblik van een meisje kon Buysse als aan de grond genageld staan en wist hij met zekerheid dat hij verliefd was. Als 18-jarige vat hij een gepassioneerde liefde op voor de paar jaar oudere herbergierdochter Tieldeken van Meylegen. Met zijn bootje
vaart hij zomers door het gebied van de Meylegemse Meersen en landt hij aan bij de herberg “In het Gemeentehuis”. Verliefd zijn is prettig maar ook pijnlijk. Zeker als je met haar alleen bent in de gelagkamer, en je schuchter voelt en niets weet te zeggen of in gezelschap met ruwe ongemanierde kerels die met hun smakeloze, grove grappen Tieldeken uitlokken dan voelt de jonge Buysse zich gegeneerd en vindt hij haar beeld ontheiligt. “Zoo was er eens een die mij zei, terwijl Tieldeken hem in den kelder een glas bier ging halen:—’t Es ’n malsch poezeken, e-woar, meniere; moar ’t es spijtig da ze kromme bienen hêt.Een golf van bloed steeg naar mijn hoofd. Kromme beenen! Daar had ik nooit iets van gemerkt. Hoe wist die kinkel....!”
Die opmerking bleef bij Buysse hangen en maakte hem iets minder smoorverliefd. Maar in de wintermanden erna toen er een lange vorstperiode aanbrak, trok hij als één van de eerste (kunst)schaatsers uit de streek naar de herberg in Meylegem. Daar voor de herberg op de windstille ijspiste vertoonde hij zijn sierlijke kunsten van het draaien van krullen en rondjes op het ijs waar hij een ware meester in was. De beloning kwam toen Tieldeken haar hand voor haar mond sloeg en in verbazing vroeg waar hij dat geleerd had. Maar het liep zo geheel anders af ….
Jaren later als hij zijn kennissenkring heeft uitgebreid ziet Cyriel tijdens een schaatstocht voor een kasteel de knappe jonkvrouw Quiline op wie hij op slag verliefd raakt. Hij laat zich dit aan zijn artistieke vrienden ontvallen die van plan zijn hem er mee te plagen door de nietsvermoedende jonkvrouw te confronteren met de Buysse’s verliefdheid. Ironisch genoeg ‘noemt hij zijn geliefde ‘ijsliefde’.
Als hij op de leeftijd is dat men verwacht dat hij zijn vader opvolgt in de zaak, wordt hij op studiereis gestuurd naar Amerika om te zien of er markt is voor het oprichten van een cichorei fabriek. Tijdens het schaatsen ontmoet hij Maud waarvoor hij als een blok valt. Maud is de dochter van een rijke selfmade man die het gebracht heeft tot miljonair die van zijn vrouw ‘uit zaken’ moest en ‘in society’ zodat zijn dochter Maud toegang kreeg tot de huwelijksmarkt voor de rijken. Buysse ervaart dat Amerika het land van de onbegrensde mogelijkheden toch beperkingen heeft.De roman kwam in 2009 in herdruk uit, verscheen eerder als deel in de bundel 'Tweede Cyriel Buysse omnibus' in 1968. Via ebooks galerij kun je de online versie te lezen.

En nou maar hopen dat die Elfstedentocht doorgaat... Mooi verhaal!
BeantwoordenVerwijderen