zondag 26 februari 2012

Is Heath Robinson een Rube Goldberg? Of andersom?

Ze zijn in Nederland niet zo bekend de bizarre tekeningen van cartoonist en illustrator William Heath Robinson (1872-1944). Hij is geboren in Londen als derde van zeven kinderen van Thomas en Eliza Ann (Heath) Robinson. Zijn vader was een bekend en geliefd illustrator die de Penny Illustrated Paper (PIP) een populaire voorloper van de Sunday krant van omslagen voorzag. In 1903 zou zijn zoon William met de dochter van de uitgever van PIP trouwen. William tekende cartoons voor tijdschriften, illustreerde sprookjes met prachtige Jugendstil tekeningen en schreef zelfs enige kinderboeken. Heath Robinson is vooral bekend om zijn tekeningen van ingenieuze, complexe uitvindingen die tegelijkertijd heel onpraktisch zijn door de onbeholpen gammele constructie en de vele energie die er nodig is om het werkend te maken (zie afbeelding aardappels schillen). Hij werd er beroemd mee. Zijn naam is een vaste uitdrukking geworden in de Engels taal en betekent zoiets als voor iets heel simpels een complexe oplossing bedenken die meer energie kost dan het oplevert. Zijn populariteit heeft hij misschien mede te danken aan de crisistijd en de WO II toen veel Britse huishoudens de weinige artikelen en materialen die er waren, hergebruikten voor allerlei vindingrijke toepassingen waarvoor ze oorspronkelijk niet bedoeld waren. Een code breekmachine door Engelsen ontworpen als antwoord op een de Duitse versleutelmachine Lorenz SZ40/42 kreeg de naam Heath Robinson.
De bedenksels van Heath Robinson zijn te vergelijken met de tekeningen van Rube Goldberg, een Amerikaan die ook absurde complexe apparaten als oplossing voor hele eenvoudige zaken bedacht. Ook Rube Goldberg werd er beroemd mee, de uitdrukking een ‘Rube Goldberg’ is een begrip in Amerika en als klap op de vuurpijl is er ook Rube Goldberg machine gemaakt. Deze machine is zeer complex en voert een heel simpele handeling heel langzaam en omstandig uit en via een soort kettingreactie die met allerlei huishoudelijke zaken als conserven blikjes, touwtjes, een tennisracket,.. wordt deze in beweging gezet.

De Amerikaanse band OK go maakte fantastische clips waar ze vele prijzen mee wonnen en via Youtube groeiden deze uit tot virale clips. Hun eerste filmpjes Here it goes again waarbij de vier bandleden een choreografie uitvoeren met behulp van 8 loopbanden had binnen 6 dagen een miljoen hits. Voor hun tweede video voor This Too Shall Pass (2010) maken ze gebruik van de Rube Goldbergmachine, een filmpje dat je absoluut niet mag missen:


Nieuwsgierig naar boeken van Heath Robinson; bij de bibliotheek kunt u ze lenen of aanvragen.

donderdag 23 februari 2012

Zalig zijn de schelen

Samen schreven ze een boek Betty van Garrel en Herman Pieter de Boer. Wat hen bij elkaar dreef en wat de rode draad van het boek zou worden is hun gezamenlijke liefde voor schele of loense mensen. Herman Pieter de Boer woonde destijds in Giethoorn. Betty ging in de weekeinden met de trein vanuit Amsterdam naar hem toe en samen vertelden ze elkaar verhalen over allerlei onderwerpen. De een schreef een stukje dat die aan de ander liet lezen die dat weer als inspiratiebron gebruikte. Als iemand niets te binnen schoot en de reeks stokte dan mocht als een soort troefkaart een stukje over scheel of loens kijken worden ingelast. Het zijn anekdotes, herinneringen, komische en merkwaardige voorvallen, invallen met soms een uitstapje naar een scheel of loens kijkende mens. Het boek is verlucht met foto’s, cartoons, reclame afbeeldingen en scheelkijkers uit lang vervlogen tijden die het boek een Monty Python look geven. Het boek, uitgekomen in 1972, verkocht slecht. Herman Pieter de Boer was nog niet de bekende veelschrijver die hij later zou worden. Het was het eerste boek waarvan hij in een interview zei dat hij het vanuit zichzelf schreef en dat het ging over dingen die hem bezig hielden. In de bundel zijn anekdotes opgenomen over schrijvers (en vrienden) als Jan Cremer, Rijk de Gooijer, Eelkde Jong, Johnny van Doorn en Cherry Duyns, afgewisseld met weemoedige herinneringen naar hun jeugd, de oorlogstijd, het leven op het platteland in Noordwest Overijssel en komische dagelijkse voorvallen als:
Ik draaide per ongeluk een verkeerd nummer en kreeg een deftige meneer aan de telefoon. ‘Met de Boer,’ zei ik, ‘spreek ik niet met Coenen?’ ‘Nee,’ zei hij, ‘maar intussen staat u al in mijn kamer.’ ‘Neem me niet kwalijk’,’zei ik, ‘ik heb zeker een verkeerd nummer gedraaid’. ‘En u gaat maar door,’zei hij met die sjieke kraakstem, ‘nu zit u al op mijn canapé!’
‘Het spijt me echt,’ zei ik. ‘Welja, en nu begint u al mijn boeken uit mijn kast te halen om te bekijken!’ ‘Ik zal maar ophangen,’zei ik. ‘Dat zou ik maar doen, want ik heb waarachtig geen behoefte aan inwoning. Bonjour.
’
Of
Bij mijn garage in Steenwijk maakte ik kennis met de chef. ‘Piest,’ stelde hij zich voor. Ik vroeg: ‘Hoe schrijf je dat?’ ‘Precies zoals je het doet.’In 1980 verscheen er een herdruk. De schrijver Karel van het Reve stak de loftrompet over het boek, de verkoop nam toe en het werd in kleine kring een cultboek. Bij componist Tony Eyk staat het op zijn nachtkastje en het is het lievelingsboek van de presentator Wim Brands bekend van de VPRO boekenprogramma’s op radio en tv.
Voorafgaand aan de Boekenweek 2012 zal er een nieuwe herdruk verschijnen bij afdh uitgevers. Maar wie niet zo lang wil wachten op dit merkwaardige boek die kan gewoon in de bibliotheek
terecht.

maandag 20 februari 2012

Zachtjes knetteren de letteren

In 1975 verscheen de anekdoten bijbel van de Nederlandse literatuur onder de spannende titel ‘Zachtjes knetteren de letteren’. De recensent van de Tijd veronderstelde dat de titel ontleend was aan een hebbelijkheid van de dichter A. Marja, van wie Ab Visser eens schreef: Hij was zo luidruchtig dat je hem mijlenver kon horen aankomen. Als hij bijvoorbeeld een wind liet, was het ook een wind, en geen bescheiden poepje. Hij beroemde er zich op dat hij een gat in een beschuit kon schijten; hij nam er in mijn bijzijn eens een proef mee: het lukte hem niet bij een Verkade-beschuit en wel bij een Bolletje, die dus blijkbaar van zachtere kwaliteit is. Zo'n wind van Marja drong door de plafonds van twee etages. Je kon bij wijze van spreken 's nachts wakker worden uit een nachtmerrie, waarin je dacht dat je je op zee bevond in zware mist en dat je gewekt werd door een misthoorn.
De bundel bevat een eeuw anekdotes vanaf de Tachtigers tot aan de jaren zeventig van vorige eeuw. De samensteller Jeroen Brouwers heeft de snedige stukjes onverkort overgenomen uit geschreven of gepubliceerd bronnenmateriaal overeenkomstig Brouwers stelregel dat de anekdote ‘eigendom’ van de verteller is. Het is een van de charmes dat de anekdotes niet hertaald zijn maar zich laten lezen in de oorspronkelijk tekst en stijl van meestal een collega schrijver. Brouwers kort bij sommige stukjes de tekst in met het teken [ ] maar doet dat op een wijze dat het tijdens lezen niet stoort. .
Zo schrijft Simon Carmiggelt over de begrafenis van J.C. Bloem op het kerkhof van Paasloo:
De onpraktische ligging van het gehucht had [ ] niet verhinderd dat ‘iedereen er was’. Dichters, romanschrijvers, essayisten, ze waren allemaal gekomen om afscheid te nemen. [ ]
‘Nadat A. Roland Holst had gesproken over het dichterschap van Bloem trad een man die niemand kende naar voren en zei, in het dialect van de streek: ‘Wat ie deed weet ik niet. Maar eh-hij was een goeie buur.’ Daarop knikte hij enige malen met een verlegen soort vastberadenheid en ging weer tussen de letterkundigen van Nederland staan. Ieder dacht dat de plechtigheid nu ten einde was. Maar plotseling nam een dikke, gevaarlijk vitale vrouw van middelbare leeftijd het woord. Ook iemand uit het dorp, maar ze had veel meer spraakwater dan die buurman. Ze behoorde tot een religieuze sekte en ze zette in harde zekerheden bol staande woorden uiteen, dat Bloem eigenlijk had geleefd als een zondaar. Haar merk zaligheid zou hem dan ook niet ten deel vallen. [ ] Toen ze eindelijk was uitgepreekt, zei Clara Eggink, die naast mij stond, ironisch: ‘Amen’.
Het was voorbij. De bezoekers gingen heen. Het kerkhof werd leeg. Alleen ik stond nog bij het hek te wachten tot de taxi mij zou komen halen. Bij het graf hielden zich twee in pilopakken gestoken mannen op, die met de verzorging van de dodenakker waren belast. [ ] Ze kwamen naar me toe, noemden mijn naam en vroegen of ik die meneer van de t.v. was. Ik antwoordde bevestigend. Toen bezorgden ze mij een even groteske als vernederende ervaring. De hele Nederlandse literatuur had aan dat graf gestaan, maar de ene man riep: ‘Ik zei al tegen m’n maat hier-d’r is één bekend gezicht bij.’


Achterin het boek zijn een persoonsregister en een bronvermelding toegevoegd zodat alles geverifieerd kan worden.
Bij een huldiging ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag werd hij [J.C. van Schagen] door een van de feestredenaars een ‘zachtzinnig anarchist’ genoemd, wat door de aanwezige journalist van de Provinciale Zeeuwse Courant verkeerd verstaan werd, zodat de krant de volgende dag meldde, dat Van Schagen een ‘zwakzinnig anarchist’ gehuldigd was.Eenvoudig te checken in de Zeeuwse Krantenbank met de kleine correctie dat het feestvarken zichzelf in zijn dankwoord een ‘zachtzinnig anarchist’ noemde en niet een van de feestredenaars. De dag erna volgde een rectificatie.
'Zachtjes knetteren de letteren'
bestaat voor het merendeel uit kostelijke anekdoten en het is haast zonde om deze in één keer te consumeren. Bij mij lag de bundel op het nachtkastje en iedere avond nam ik er voor het slapen gaan een ‘paar hapjes’ uit.

dinsdag 14 februari 2012

De stem van…

De stem van… is het boek van Wim Daniëls dat gaat over stemportretten en interessante weetjes over de stem. Veel mensen zijn gefascineerd door stemmen of het nu om zingen of spreken gaat. Als je naar de radio luistert dan merk je de kracht en bekoring die er van een stem kan uitgaan. Het kan zelfs zo ver gaan dat sommige mensen verliefd raken op een stem.

Naast verkiezingen als de beste buur, de grootste Overijsselaar is er ook de verkiezing naar de Mooiste stem van Nederland van bekende Nederlanders. Jan de Hoop kwam in december 2011 nipt als overwinnaar uit de bus.
Albert -Jan Sluis profileert zich op internet als stemacteur en hij meldt dat hij de meest bekende stem van Nederland is. Albert-Jan verhuurt zijn stem voor reclames, jingles, voice-overs en bezit een eigen studio. Nieuwsgierig luister en kijk want deze bekende stem krijgt nu een gezicht.
Hoog favoriet als stem en dat geldt zeker bij ouderen is de stem van Philip Bloemendal, de nieuwslezer van het vroegere Polygoon bioscoopjournaal die met de karakteristieke dictie in combinatie met zijn humor voor velen de ‘Stem van Nederland” was. Er is zelfs een gelijknamige Stichting die iedere twee jaar de Philip Bloemendal prijs uitreikt.



Maar het spectrum aan interessante stemmen is breder. Er zijn stemmen die nooit een prijs zullen winnen maar die door een afwijking in de stem juist heel aantrekkelijk kan zijn. Zo past Frans Bromets enigszins slome zeurstem heel goed bij zijn hardnekkige wijze van doorvragen naar het waarom, of Gerrit Komrij die spreekt in keurige volzinnen in ietwat bekakt Nederlands met een sardonische toon die past bij zijn bijtende teksten, of Simon Carmiggelt die in nog zorgvuldiger volzinnen sprak dan Komrij met zijn onnavolgbare stem waar melancholie en misprijzen in doorklonk om wat hijzelf omschreef zijn ‘stukkie’te voorlezen, of de stem van Godfried Bomans met zijn voortdurende tempo- en volume wisselingen soms samenzweerderig met zijn publiek kon overgaan naar een stem vol ingehouden pret om dan als contrast een korte, korzelige opmerking te laten volgen,



of de misschien iets overdreven articulatie gecombineerd met de heldere klank die de stem van Harmke Pijpers bijna Onnederlands maakt, of Chriet Titulaer die met zijn vlakke, monotone enigszins hese stem met Limburgs accent,



een nieuwe innovatie liet zien uit de Wondere Wereld zoals zijn tv-programma heette

Ze houden ons bezig de stemmen en we geven er vele namen aan: de venijnige stem, de aarzelende, de kraakstem, de donkerbruine stem, de matte stem, de falsetstem, de hese stem, de kakelstem, de piepstem, de basstem, de bromstem, de zoetgevooisde stem, de stem met een snik, de huilstem, de jankstem, de doffe stem, de charmante stem, de sexy stem, de verleidelijke stem, de expressieve stem, de warme stem, de metalen stem, de dominee stem, de graf stem, de zwoele stem, de hete-aardappel-stem, de bekakte stem, de emotionele stem, de vervoerende stem, de whisky stem, de doorrookte stem, de nasale stem, een onschuldig stemmetje, en…..

In komkommertijd duikt in de pers regelmatig op dat onderzoek weer eens heeft uitgewezen dat lage stemmen als sexy worden ervaren. De laagste vrouwelijke zangstem is de contra-alt. Bekende contra-alten zijn Adele, Annie Lennox, Astrid Nijgh, Hildegard Knef, Marlene Dietrich, Zarah Leander en de chanteuse Nico van de Velvet Underground. Deze stemmen variëren van een diep, rokerig naar zwoel en hees geluid, stemmen die door veel mensen als sensueel en verleidelijk worden ervaren. Het tegendeel is er ook. Om jongens hun sopraanstemmen te laten behouden liet men ze in vorige eeuwen voor hun tiende jaar castreren. Componisten als Mozart en Händel schreven voor deze castraatstemmen zangstukken. In de 17e eeuw en 18e eeuw nauw verbonden met de opkomst van de opera werden de castraatstemmen populair. Sterren als Farinelli en Senesino verdienden enorme honoraria.
De presentator Erik Hartman van het Vlaamse programma Boemerang werd na een tumultueuze uitzending waarbij hij zich niet in de hand kon houden tegenover een man met hoge stem, door zijn tv-bazen de wacht aangezegd. Enfin luister en kijk zelf maar.



Nieuwsgierig naar stemmen, lees dan het boek De stem van ..., te leen via de bibliotheek. 

donderdag 9 februari 2012

Een liefde van...

Een liefde van … is de titel van een boek met interviews die Betty van Garrel in de jaren tachtig hield met schrijvers, schilders en musici over hun eerste liefde. Onuitwisbare herinneringen zijn het.
Al kan Simon Vinkenoog zich alleen nog de hartstochtelijke omhelzing en de toepasselijke naam van de straat herinneren waar het gebeurde, de Smaksteeg. Het beeld van het gezicht en de naam van het meisje zijn na vijftig jaar uit zijn geheugen weggevaagd. Het kan vreemd gaan met zo’n eerste liefde.
Tijdens het lezen word je bewust hoe krampachtig er in sommige milieus vlak voor en na de WO II met de andere sekse werd (samen)geleefd. Het waren gescheiden werelden waar de liefde schuchter en soms bijna verborgen werd beleefd.
Zo niet bij Geert Lubberhuizen de latere uitgever van de Bezige Bij die met zijn vriend Max in een smal zijstraatje waar het meisje van hun dromen woonde, samen gingen staan fluiten als ze het licht in haar kamertje ontstak. Deze serenades hebben anderhalf jaar geduurd. Max hield er gewoon een keer mee op maar Geert bleef trouw op zijn post, tot op een avond een vrouw een teil met ijskoud water naar beneden gooide onder de toevoeging: “En nou moet het maar eens afgelopen zijn. Wegwezen jij!”.
Ook was er in die dagen veel standsverschil. Zo voelde Theun de Vries zich op het kleine, elitaire gymnasium in Apeldoorn geheel buitengesloten van het bourgeoisie milieu waar zijn klasgenoten toe behoorden. De Vries heeft de voor hem onbereikbare meisjes niet op de proef gesteld, hij werd verliefd op een oudere vrouw zijn lerares Engels. Tot zijn teleurstelling bleef het platonisch maar door haar heeft hij wel de Engelse literatuur goed leren kennen.
Dat was anders bij Carel Willink die studeerde in Delft en die op straat een meisje ontmoette. Ze was hoedenmaakster, heette Christien, was zes jaar ouder en had al een kind iets wat Willink pas veel later te weten kwam. Met haar beleefde hij zijn eerste liefde maar hij moest zich na verloop van tijd wel onder behandeling stellen van een huidarts ondanks haar verzekeringen dat hij de enige was. Het bekoelde hun relatie en hij meende dat ze hem niet achterna zou reizen als hij naar Berlijn zou gaan. En zo geschiedde. Willink is verder gegaan in de schilderkunst en zo heeft Christien toch haar invloed doen gelden.
Jan Cremer groeide op met zijn alleenstaande moeder die werkster was en met een raar Hongaars accent sprak. Moeder en zoon, ze hoorden er in Enschede niet echt bij. Via het Armenbestuur en het Internationale Rode Kruis kwam hij terecht in een Duits kindertehuis en verbleef hij daar een jaar. Daar ontmoette hij Schwester Jana die net zo vreemd sprak als zijn moeder maar dan met een Pools accent, op haar werd hij verliefd met haar korenblond haar, brede jukbeenderen, zware boezem en volle heupen. Eens zei ze tegen hem, later gaan we trouwen. Dat klonk als een belofte en zijn verliefdheid heeft lang geduurd. Toen hij weer terug was in Enschede stuurde hij haar geregeld ansichtkaarten. Schwester Jana heeft hij nooit meer gezien. Maar decennia later als Cremer naar Duitsland gaat dan voelt hij nog steeds ontroering voor de Duitse vrouw waarvan de man aan het front is. En over die vrouwen die thuis alleen achterblijven om voor huis en kind te zorgen, zegt hij, het lijden staat die vrouwen op hun gezicht geschreven en toch houden ze die warmte hè.
Jan kende schrijfster Betty van Garrel uit zijn jonge jaren als kunstenaar. Op internet zwerft nog een prachtige foto rond van Armando, Jan Cremer, Cor Vaandrager en Betty van Garrel waar ze in de Haagse Salon voor een groot abstract schilderij staan. Cremer omschreef Betty van Garrel eens als "een mollig vrouwtje, roze als een pas geschrobd varkentje met de stem van Miss Piggy, die wekelijks haar opstelletjes voor de pagina Mensen, Dieren, Dingen ter beoordeling voor kwam leggen”. Betty van Garrel (1939-) schreef voor de Haagse Post, het roemruchte blad Hollands Diep en het Cultureel Supplement van NRC Handelsblad over beeldende kunst, schreef schrijversportretten en werkte mee aan tv kunstprogramma’s.

Veel eerste liefdes blijven onbeantwoord en waarom… Jacqueline de Jong was zo erg verliefd op haar Ilja dat ze in wanhoop haar polsen voorzichtig doorsneed. Dertig jaar later ontmoet ze hem in een winkel, een middelbare man met wat grijs haar aan de slapen en ze herkent hem aan zijn licht Twents accent. Ze praten en halen herinneringen op tot ze hem vertelt hoe verliefd ze op hem was geweest. Hij reageerde dat hij het helaas nooit door had gehad. Ja zo kan het dus gaan maar gelukkig is er tegenwoordig Valentijn!
Het boek De liefde van ...is te leen bij de openbare bibliotheek.

dinsdag 7 februari 2012

Cyriel Buysse (1859-1932)

In 1917 was het koud, bitterkoud, de Zuiderzee en de Waddenzee waren bevroren en een oversteek naar de Waddeneilanden deed men te voet met gevaar voor eigen leven. De grachten, meren en plassen in Nederland waren bevroren en die er tijd voor hadden, gingen schaatsen. Eind januari werd er een Elfstedentocht gehouden. De Vlaamse fabrikantenzoon Cyriel Buysse, getrouwd met de vermogende Nederlandse weduwe Nelly Dyserinck, woonde op dat moment in Den Haag ver van het oorlogsgeweld dat zijn land teisterde. Het is bekend dat de echtparen Couperus en Buysse met elkaar waren bevriend. In 1916 schreef Couperus het schaatsverhaal ‘Het stille geneucht’ dat door schaatskenner Max Dohle herspeld is tot ‘Het stille genot’. Het is laatste wat je van die artistieke en decadente Couperus zou verwachten dat hij in sneeuw en ijs de ijzers onderbindt. Wie weet misschien heeft hij Buysse weten te inspireren tot het schrijven van zijn boek ‘De roman van een schaatsenrijder’ (1918) dat heel direct opent met: “Ik wil u een en ander vertellen uit het leven van een schaatsenrijder. Die schaatsenrijder ben ik.” Deze roman gaat niet alleen over zijn hartstochtelijke liefde voor het schaatsen maar ook over zijn verloren liefdes. Al bij de eerste aanblik van een meisje kon Buysse als aan de grond genageld staan en wist hij met zekerheid dat hij verliefd was. Als 18-jarige vat hij een gepassioneerde liefde op voor de paar jaar oudere herbergierdochter Tieldeken van Meylegen. Met zijn bootje vaart hij zomers door het gebied van de Meylegemse Meersen en landt hij aan bij de herberg “In het Gemeentehuis”. Verliefd zijn is prettig maar ook pijnlijk. Zeker als je met haar alleen bent in de gelagkamer, en je schuchter voelt en niets weet te zeggen of in gezelschap met ruwe ongemanierde kerels die met hun smakeloze, grove grappen Tieldeken uitlokken dan voelt de jonge Buysse zich gegeneerd en vindt hij haar beeld ontheiligt. “Zoo was er eens een die mij zei, terwijl Tieldeken hem in den kelder een glas bier ging halen:
—’t Es ’n malsch poezeken, e-woar, meniere; moar ’t es spijtig da ze kromme bienen hêt.Een golf van bloed steeg naar mijn hoofd. Kromme beenen! Daar had ik nooit iets van gemerkt. Hoe wist die kinkel....!”
Die opmerking bleef bij Buysse hangen en maakte hem iets minder smoorverliefd. Maar in de wintermanden erna toen er een lange vorstperiode aanbrak, trok hij als één van de eerste (kunst)schaatsers uit de streek naar de herberg in Meylegem. Daar voor de herberg op de windstille ijspiste vertoonde hij zijn sierlijke kunsten van het draaien van krullen en rondjes op het ijs waar hij een ware meester in was. De beloning kwam toen Tieldeken haar hand voor haar mond sloeg en in verbazing vroeg waar hij dat geleerd had. Maar het liep zo geheel anders af ….

Jaren later als hij zijn kennissenkring heeft uitgebreid ziet Cyriel tijdens een schaatstocht voor een kasteel de knappe jonkvrouw Quiline op wie hij op slag verliefd raakt. Hij laat zich dit aan zijn artistieke vrienden ontvallen die van plan zijn hem er mee te plagen door de nietsvermoedende jonkvrouw te confronteren met de Buysse’s verliefdheid. Ironisch genoeg ‘noemt hij zijn geliefde ‘ijsliefde’.

Als hij op de leeftijd is dat men verwacht dat hij zijn vader opvolgt in de zaak, wordt hij op studiereis gestuurd naar Amerika om te zien of er markt is voor het oprichten van een cichorei fabriek. Tijdens het schaatsen ontmoet hij Maud waarvoor hij als een blok valt. Maud is de dochter van een rijke selfmade man die het gebracht heeft tot miljonair die van zijn vrouw ‘uit zaken’ moest en ‘in society’ zodat zijn dochter Maud toegang kreeg tot de huwelijksmarkt voor de rijken. Buysse ervaart dat Amerika het land van de onbegrensde mogelijkheden toch beperkingen heeft.
De roman kwam in 2009 in herdruk uit, verscheen eerder als deel in de bundel 'Tweede Cyriel Buysse omnibus' in 1968. Via ebooks galerij kun je de online versie te lezen.