vrijdag 6 januari 2012

Intekenlijst

"Kennis komt voort uit het leggen van verbanden tussen schijnbaar losstaande feiten, maar hoe kom je aan de afzonderlijke elementen” schrijft Connie Palmen in haar boek Lucifer. Graag wil ik dit uittesten op een oude intekenlijst bij het boek “Albert Neuhuys : zijn leven en zijn kunst” door W. Martin. Aan het begin van de vorige eeuw was het niet ongebruikelijk om bij dure uitgaven de belangstelling te peilen door een intekenlijst. Het is een lijst met willekeurige namen en adressen en het enig gemeenschappelijke is de interesse voor het boek van schilder Neuhuys. Genoeg afzonderlijke elementen maar levert dat ook context en nieuwe kennis op?

De intekenlijst bestaat uit 3 losse vellen. Bovenaan in de kop is er voorgedrukte tekst met de naam van de intekenaar, de titel en de auteur van het boek met vermelding van de prijs. In 1915 zal men de tekst naar de drukker hebben gebracht, het oogt professioneel maar het kostte ook geld. De lijst bestaat uit 3 kolommen: aantal exempl., naam (duidelijk svp) [men had ervaring!] en adres. De kolom aantal exempl. was overbodig want deze is of niet ingevuld of de intekenaar vond 1 exemplaar voldoende. Bij de naam van de intekenaar is op 4 plaatsen op de lijst een stempel gezet. Duidt dit erop dat de lijsten rouleerden langs particulieren en instellingen want het is toch nauwelijks denkbaar dat kopers een stempel meenamen als ze naar de boekhandel gingen? Of bracht de uitgever of een verkoper een bezoek aan de potentiële kopers. Dat laatste zou er voor pleiten dat de tocht dan een logische route zou moeten zijn. Niets is echter minder waar, de route gaat van het centrum in Den Haag, naar Scheveningseweg, terug naar het Lange Voorhout, Loosduinen, Den Haag, Leiden, Den Haag, Breukelen, Amsterdam op diverse adressen, Haarlem, Rotterdam en uiteindelijk weer terug naar Den Haag. De lijsten zijn beschreven met een vul- of kroontjespen of met potlood. De handtekeningen zijn over het algemeen krachtig en groot.

Een aantal namen intrigeert zoals H.M. Koningin-Moeder en de schilder W. Maris. Je vraagt je af of je kijkt naar het handschrift van de Koningin-Moeder of naar dat van een dienaar aan het hof. Bij veel intekenaren staat een instelling of bedrijf genoemd. De professionele interesse kwam van bibliothecarissen, secretarissen en penningmeesters van musea maar ook van galeries en kunsthandels. Zo op het oog is het een willekeurige verzameling van namen van instellingen en personen. Vroeger was het een lastige klus om bij deze summiere informatie achtergrondgegevens te vinden. Met de opkomst van internet is dit veranderd, zo kun je grasduinen in oude krantenarchieven, zoeken in de databanken van gemeentearchieven en kun je ook nog eens zoeken op straten en huisnummers in Google map. Namen die weinig zeggen krijgen bij het zoeken wat meer body en soms kunnen ze uitgroeien tot een klein verhaal.

Het zijn 3 losse vellen. Hoewel er weinig reden voor is, neem ik aan dat men de intekening startte in Den Haag omdat dit vel eindigt het Rijksprentenkabinet te Amsterdam en het vel met Amsterdamse adressen eindigt met 2 inschrijvingen uit Haarlem.

De eerste naam op de lijst is Frederik Jan Louis Krämer (1850-1928) Hij was hoogleraar en nam om gezondheidsredenen ontslag en accepteerde in 1903 de baan van directeur van het Koninklijk Huisarchief. Hij gaf les aan prinses Wilhelmina, prinses Juliana en prins Hendrik.

Abraham Bredius was onder meer directeur van het Rijksmuseum en het Mauritshuis. Hij raakte in opspraak toen hij het schilderij De Emmaüsgangers aan Johannes Vermeer toeschreef. Hij woonde aan de Prinsengracht 6 ( zie afb. links ) waar na zijn dood het museum Bredius werd gehuisvest. In het museum was de tijdens zijn leven opgebouwde collectie 17e eeuwse kunst te zien. In 1985 moest het museum om financiële redenen sluiten, maakte in 1990 een doorstart en het museum verhuisde naar de Lange Vijverberg 14 waar eerder de hieronder genoemde heer Cremers woonde.

R.A.W.J.J. Cremers (1876-1928) in de Almanak Gotha wordt hij genoemd als Nederlands diplomaat maar hij was vooral kunstverzamelaar van moderne kunst en woonde in het fraaie pand aan de Vijverberg 14 (zie afb. rechts) . Hij bezat een belangrijke collectie Marissen. In 1915 was een deel van zijn verzameling dat onder meer bestond uit werk van de Haagse school in het Haags Gemeentemuseum te zien. Vijf jaar later kwam de catalogus “Tableaux et aquarelles modernes collection Mr. R.A.W.J.J. Cremers la Haye” die door Frederik Muller is uitgegeven. Volgens de bevolkingskaart was hij Doopsgezind en was hij voor een tweede maal gehuwd.

Arie Cornelis Volker (1861-1924) was zoon van Adriaan Volker die samen met zijn broer eigenaar was van het Sliedrechtse aannemersbedrijf A. en D. Volker. Arie was een rasechte ondernemer met visie, hij breidde het familiebedrijf succesvol uit met baggerwerkzaamheden en was samen met zijn neef één van de oprichters van N.V. Electro-Apparaten Fabriek Systeem Coq. Van Arie Volker, zijn zwager was de Haagse kunstverzamelaar Hilde Nijland, is bekend dat hij kunst bezat. In 1910 sukkelde hij met zijn gezondheid, trok hij zich terug uit de zaak en ging hij wonen in Den Haag aan de Oude Scheveningseweg 106 (afb.links). Zijn weduwe verhuisde later naar een mooi pand aan de van Stolkweg 7a waar ook de heer P. Versteeven op nummer 34 woonde.

De heer P. Versteeven (1855-1928) was een telg van de blauwsel en verffabriek Van Duura&Versteeven en commissaris bij van Hillen’s sigarenfabriek . Hij woonde in een fraaie villa (zie afb. rechts) aan de van Stolkweg 34 en had een verzameling moderne schilderkunst onder meer van de gebroeders Maris.

H..G. Wolters penningmeester van de befaamde Pulchri Studio een Haags schildergenootschap die sinds 1901 aan het Lange Voorhout 15 haar domicilie heeft.

W. Maris (1872-1929) Loosduinen . Het is niet de beroemde schilder Willem Maris die overleed in 1910 maar zijn neef Willem Matthijs (Jbzn), zoon en leerling van Jacob Maris. Hij schilderde, aquarelleerde, tekende en etste landschappen, figuren en veel portretten.

D. de Wild uit Den Haag is waarschijnlijk Derix de Wild (1869-1923) telg uit beroemd geslacht van restaurateurs die het atelier aan de Laan van Meerdervoort 406 van zijn broer Carel voortzette. Derix is de vader van de bekende Martin de Wild eveneens restaurateur. Het was niet ongebruikelijk dat restaurateurs een inponsing in het hout van een spieraam zette (zie afbeelding rechts).

De directeur van het R Prentenkabinet te Leiden (onleesbaar). Het is niet gelukt om de directeursnaam te achterhalen. Het Rijks Kabinet van Prenten was gelegen aan het Rapenburg 17 (zie afb. links) te Leiden.

H.M. Koningin-moeder Den Haag geschreven door haarzelf of een dienaar. Opvallend is dat de schrijver eerst konigin heeft willen schrijven maar zich op tijd herstelde en van ingezet staart van de letter g kon omzetten in een n zodat er koningin kwam te staan. Het paleis aan het Lange Voorhout was haar winterpaleis.

Jonkheer J. Loudon (1866-1955) te Den Haag was diplomaat en minister van Buitenlandse Zaken ten tijde van de ondertekening. Het lijkt of het handschrift bij zijn naam ondertekening van dezelfde hand als die van H.M. Koningin-Moeder.

Het Departement van Binnenlandse Zaken; in die tijd was Pieter Cort van der Linden minister van Binnenlandse Zaken. Ondertekening lijkt meer een paraaf.

Peter Frederik Thomsen (1856-1916) was de zoon van de Deense zeeman/stuwadoor/houthandelaar die in 1873 het havenbedrijf Thomson & Co oprichtte. In 1891 zette Peter na het overlijden van zijn vader het bedrijf voort. Hij was kunstverzamelaar van onder meer Israels, Weissenbruch . In 1916 werd hij voor zijn woning aan de Nieuwe Parklaan 77 (Het Rotterdams Nieuwsblad spreekt over de Badhuisweg) in Scheveningen door een auto geschept en overleed hij op zestig-jarige leeftijd aan zijn verwondingen. In 1932 werd zijn collectie kunst en meubilair geveild.

Michiel Onnes van Nijenrode (1878-1972) werd schatrijk met de koffiehandel ten tijde van WO I. Hij kocht in 1907 de ruïne van het middeleeuwse kasteel Nijenrode en liet het restaureren voor 1.250.000 gulden restaureren en in de staat brengen waarin het vandaag de dag nog steeds verkeert. In korte tijd bracht hij een verzameling kunstschatten van topkwaliteit bij elkaar maar hij kreeg financiële problemen. In 1930 verkocht hij het kasteel aan de Joodse kunsthandelaar Jacques Goudstikker onder de voorwaarde dat hij er mocht blijven wonen. In 1932 zet Onnes een diefstal van zijn eigen schilderijen in scene om verzekeringsgeld te kunnen incasseren. Hij zat een jaar in voorarrest en wordt na een geruchtmakende zaak waarbij commissarissen van de Amsterdamse politie op non-actief worden gezet maar er zijn twijfels getuignissen en uiteindelijk wordt hij veroordeeld tot de tijd dat hij in voorarrest zat.

Rijksprentenkabinet Amsterdam is ondergebracht in het Rijksmuseum, ontworpen gevestigd.

Kunsthandel C.M. van Gogh aan het Rokin 115 Amsterdam was gerenommeerd en stond bekend om de vele tentoonstellingen van kunstenaars met naam. Oprichter was de oom van van Vincent van Gogh, Cornelius Marinus. Door zijn neefje werd hij vaak als CM aangeduid. De kunsthandel had een pand aan de Kneuterdijk 16 in Den Haag en één aan de Keizersgracht 453. In 1912 betrok men een pand met zalen aan het Rokin 115. Het was voor korte duur want eind jaren twintig werd het gebouw grotendeels gesloopt en vervangen door nieuwbouw van de Algemeene Friesche Levensverzekerings Maatschappij. Op de foto ontleend aan de Beeldbank te Amsterdam is het gebouw van de verzekeringsmaatschappij, links naast Van Ditmar's Boeken Import te zien.

C.J. van Wisselingh en co, kunsthandelaar had zijn bedrijf aan het Rokin 78/80. De foto (links)dateert van 17 december 1982 en in de weerspiegeling van de ruiten is een stukje straatbeeld uit die jaren te zien. Maar bij goed inzoomen zie je in de linkerruit van de etalage het beroemde schilderij 'Het gele huis" van Carel Willink. Het onderwerp heeft Willink ontleend aan een huis in de Vossiusstraat (nu hotel Piet Hein) en het ziet er nog nagenoeg uit als in die tijd. Op het schilderij is een donkere, dreigende zwarte lucht te zien en je verwacht een klap onweer te horen, op de voorgrond liggen wat verwaaide papieren. Het gele huis rijst strak omhoog en in de ruiten weerspiegelen zich de donkere, naakte takken van een boom. Dit schilderij uit 1934 werd voor de oorlog door Bordewijk beschreven en hij projecteerde sluimerende gevoelens van liefde in het huis en zijn bewoonster. Het verhaal verscheen op 9 december 1939 in de Groene Amsterdammer en is fulltext te lezen in het historisch archief. De schrijver H.J. Smeding zag deze romatiek niet en schreef een eigen verhaaal. Het was aanleiding om een achttal schrijvers van naam te vragen het gele huis te beschrijven. Het boek beleefde in 1978 een herdruk.

M.P. Voûte (1856-1928) koopman was steenrijk. Hij bezat een grachtenpand aan de Herengracht 475 (rechts beneden)dat wel het huis aan de bocht werd genoemd een stadspaleisje dat gezien wordt als een van de mooiste huizen in Masterdam. In Schaarsbergen bezat Voûte de buitenplaats Groot Warnsborn. Hij was een belangrijk kunstverzamenlaar en meacenas die schilderijen schonk of in bruikleen gaf aan musea. Als bestuurslid was hij onder meer verbonden aan de Rembrandtvereniging en het Rijksmuseum.

Johan Caspar Sommer (1859-1937, Roelof Hartstraat 138 te Amsterdam, was officier en getrouwd met Maria Kuller. Albert Neuhuys heeft beiden geportretteerd. Als commandant leidde hij de militaire wielrijders. In 1894 publiceerde hij een 'Handleiding voor den militairen wielrijder'.



Julius Röntgen (1855-1932) pianist, dirigent en componist groeide op in zijn geboortestad Leipzig en trad als muzikaal wonderkind op in de grote Duitse steden. Hij werd voorgesteld aan Franz Liszt voor wie hij één composities ten gehore bracht. Hij was bevriend met Edvard Grieg. Hij was een belangrijk man in het Amsterdamse muziekleven en was betrokken bij de oprichting van het conservatorium en het Concertgebouw. Na zijn pensioen ging hij wonen in de villa Gaudeamus , een ontwerp van zoon Frans in de stijl van de Amsterdamse school maar gemengd met Noorse invloed. Na WO II had in het huis de Stichting Gaudeamus zijn onderkomen en was het een ontmoetingscentrum voor tal van jonge buitelandse en Nederlandse componisten waarvan velen later beroemd zijn gevonden.

A. Hesselink (1862-1930), was een Gronings beeldhouwer die na in Florence en Haarlem te hebben gewoond aan architect J.H.W. Leliman opdrachte gaf een hoekvilla met beeldhouwersatelier aan de Teniersstraat 8 te ontwerpen. In het stadsarchief Amsterdam heb je via de indexen toegang tot de woningkaarten. Zoekend op Teniersstraat 8 krijg je 4 treffers waarvan op 2 kaarten de namen van de families staan die daar gewoond hebben. Eén kaart dateert van voor WO II. De eerste bewoner is H. Abraham. Deze naam is een omzetting van Abraham Hesselink. Curieus zou de ambtenaar van de burgerlijke stand Hesselink verkeerd hebben begrepen toen hij zijn naam opgaf. Deze kaart is interessant omdat het huis veel bekende bewoners heeft gekend. Zo woonde er na Hesselink de bekende kunsthandelaar Jacques Goudstikker die leerling van bij professor Martin. Na Goudstikker woonde professor Walther Illnerer, daarna de familie van der Does de Willebois en de halfbroer van de graficus M.C. Escher de componist Rudolf G. Escher.



Anton Averkamp (1861-1934) was componist, docent, directeur en woonde aan de Vondelstraat 19 (zie bouwtekening links; 2 woonhuizen 17-19). Hij was mede oprichter van de stichting BUMA die na de auteurswet van 1912 in 1913 werd ingesteld. In het bestuur had hij de functie van secretaris. Hij was korte tijd dirigent, muziekrecensent bij het weekblad 'De Amsterdammer' en auteur van diverse muziekboeken.




Margot van Wulfen (1877-1948) was dochter van de bekende Larense hoofdonderwijzer Jan van Wulfen die na zijn dood vereerd werd met een stenen bank aan de Brink. Margot heeft in 1910 opdracht gegeven tot de bouw van het 'witte'huis op de Brink dat er nog steeds staat (zie foto rechts). Albert Neuhuys heeft van Margot een portret geschilderd. Ze was bevriend met de bloemenschilderes Lucie Wittig-Keijser.



Eduard Brom ( 1862-1935) directeur van een verzekeringskantoor en Rooms Katholiek dichter. Hij was onder de invloed van de beweging van de Tachtig. Hij woonde aan de Vondelstraat 83 en was voorzitter van de katholieke kunstkring 'De Violier'. Een bloemlezing uit zijn werken werd bezorgd door Anton van Duinkerken. Brom was geliefd om zijn aimabiliteit en waarachtigheid. Er ging geen gelegenheid voorbij of hij werd in het zonnetje gezet met een gedicht of een artikel in de krant. De foto links is gepubliceerd ter gelegenheid van zijn zestigste verjaardag.





Baruch Lopes de Leao de Laguna (1864-1943) bekend portretschilder die aanvankelijk in Amsterdam woonde maar vanwege de gezondheid van zijn vrouw naar het Gooi trok en daar op diverse plaatsen woonde onder meer aan de Nieuwe Spiegelstraat 6 Bussum. Hij schilderde portretten van Colijn, Philips en Domela Nieuwenhuijs en kreeg van de koningin een gouden medaille uitgereikt.. In de oorlog werd hij opgepakt en getransporteerd naar het kamp Auschwitz waar hij in november 1943 werd vermoord, zijn vrouw Rose trof hetzelfde lot in februari 1944. Eén thuiswonend kind heeft de oorlog overleefd. In het krantenarchief van de Laarder Courant Bel is een interview met hem te lezen.






Mr. G. Vissering (1865-1937) was president van de Nederlandse Bank en lid en ondervoorzitter van de Zuiderzeeraad. Hij stamde uit een Oostfries doopsgezind geslacht en was zoon van de minister van Finaciën Simon Vissering. Hij woonde aan de Keizersgracht 71 (foto links) waar onder meer Cornelis Trip en de Duitse archeoloog Heinrich Schlieman de ontdekker van Troje hebben gewoond.

J. Krol (1848/49-1916) hoofd-administrateur bij de Deli-maatschappij. Hij woonde in een vrijstaande villa gebouwd in 1885 in neo-renaissance stijl. De villa, gelegen aan de zuidoostzijde van het Florapark 8, is gebouwd in opdracht van Jan Krol Kzn. Het pand is thans (1993) in gebruik als kantoorruimte. In 1914 schonk hij 113 schilderijen, tekeningen en aquarellen aan de gemeente voor de oprichting van een standbeeld van Frans Hals. Hij had een charitatieve instelling want ouders die het aan geld ontbrak om hun kind verder te laten studeren werden naar hem doorverwezen.

Alfred Rudolph Zimmerman (1869-1939) was burgemeester van Dordrecht en Rotterdam en getrouwd met Henriëtte Maris. Hij geldt als een krachtdadig en autoritair bestuurder, men vegeleek hem wel met een 17e eeuwse regent. Hoewel hij niet partij politiek was, had hij een sterke affiniteit met de ideëen van de Oud-liberalen. Hij beschouwde de elite als de drijvende kracht in de maatschappij en had weinig waardering voor socialisten. Toen in 1919 socialisten in de gemeenteraad zitting namen was het tijd om voor hem te vertrekken. Hij woonde aan de Esschenlaan 46, een straat met villa's maar ook gewone woonhuizen liggend aan de rand van een park.


Jan Hudig (1838-1924) cargodoor, reder en bestuurder. Op betrekkelijk jonge leeftijd verloor hij zijn vader en had hij op 20 jarige leeftijd de zorg voor een aantal bedrijven. Door zijn verstandig inzicht en innemend karakter won hij snel vertrouwen en werd hij al snel gevraagd voor allerlei politieke en maatschappelijke functies. Hij zat jaren in de gemeenteraad en was geknipt voor het ambt als burgemeester maar toen de minster hem vroeg, aanvaardde hij deze benoeming niet maar accepteerde wel toen men hem vroeg als wethouder. Hij woonde aan de Leuvehaven 40 in een huis met een hardstenen gevel dat waarschijnlijk gebouwd is door Jan Giudici, een Italiaanse architect van grote naam die zich vestigde in Rotterdam. Tijdens het bombardement in mei 1940 werden er vele woningen vernield en later gesloopt.

Es G.L.M. van Es (1865-1949) tabakshandelaar, voorzitter van de Rotterdamse vereniging Toonkunst, consul voor een aantal landen en kunstverzamelaar. Hij was rijk en ondernemend, kocht woeste gronden op in Drenthe zoals het 650 ha grote Mandeveld om deze te ontginnen. In juni 1923 houdt de firma Frederik Muller & Co een veiling van moderne schilderijen en aquarellen uit de collectie G. L. M. van Es en uit ander particulier bezit; werken van Bauer, Breitner, De Bock, Dupont, Van ' Gogh, Hart, Nibbrig, Is. Israëls. J. en W. Maris, Mauve, De Moor, Poggenbeek, Rink, Toorop, Verster, Weissenbruch, Wiggers, Witsen, De Zwart, Alma Adema, Neuhuys, B. C. Koekkoek en nog vele anderen. Hij woonde aan het Westplein 11 te Rotterdam, nu een rijksmonument gebouwd in rijke neo-Renaissance stijl en ontworpen door architect T.L. Kanters.


Mr. A.L.C. Kleyn (1850?-1921?), advocaat/notaris in Nederlands-Indië, woont vanaf eind 19e eeuw in Den Haag. Hij is getrouwd met Carolina Eschauzier. Samen met zijn zwager (of neef) heeft hij aanzienlijke belangen in Indische fondsen en Cultuurmaatschappijen. Van zijn zwager die in 1931 gestikt wordt doordat kidnappers hem een doek met chloroform onder de neus houden en die in kist wordt teruggevonden in een pakhuis, wordt gezegd dat hij minstens miljonair was. Kleyn was verzamelaar en bouwde een aanzienlijke collectie moderne kunst op met onder meer een Neuhuys. Aan het Ethnografisch Museum in Leiden schonk hij een bundel Japanse prenten rondom het thema de Japans-Russische oorlog. De familie Kleyn woonde aan de Laan van Copes van Cattenburch nr. 54 (rechts naast de brandweerwagen).








Meer informatie volgt later

woensdag 4 januari 2012

Uit een goed nest

Tussen 1986 en 1987 interviewde Jojanneke Claassen voor het damesblad Libelle kinderen van bekende Nederlanders. Dat sloeg aan en er volgden meer dan zeventig vraaggesprekken. In 1988 kreeg deze succesvolle rubriek een vervolg door de interviews te bundelen in een boek met de titel “Uit een goed nest”.
Eerder had Claassen voor de Libelle de rubriek ‘De Foto’ waar ze aan de hand van een jeugdfoto sprak met bekende Nederlanders als Simon Carmiggelt en Hugo Claus. Interviewen was zeker in het begin van haar carrière haar ding. Zo interviewde ze al in 1969 David Bowie tijdens een bezoek aan Nederland voor het Parool en dineerde ze samen met hem en een aantal andere gasten. Jojanneke Claassen was niet alleen interviewer, maar ook redacteur en schrijver van boeken. Zo is ze mede-auteur van bekende soapseries als ‘Goede tijden, slechte tijden’ en ‘Medisch Centrum West'.
De gesprekken in “Uit een goed nest” zijn enigszins gedateerd. Het was nog in de tijd dat het publiek geen toegang had tot internet en er geen digitale sociale media waren maar wel was er een dienstplicht voor jongens.
De interviewster is er niet op uit om via de kinderen weetjes over hun bekende ouders te weten te komen. Ze lijkt dat eerder te willen vermijden, het gaat haar vooral om het verhaal, het leven dat de kinderen leiden, hun drijfveren en hun toekomstplannen. Het zijn leuke interviews, openhartig en als de kinderen falen dan zijn ze meestal zo eerlijk de hand in eigen boezem te steken. Bijna zonder uitzondering laten ze zich niet voorstaan op hun beroemde vader of moeder en voor een aantal is het zelfs een handicap omdat ze gepest werden en ‘anders zijn dan de anderen’. Wat je zou verwachten van deze kinderen is dat ze een goede start maken voor een belangrijke carriere maken maar soms lijkt het tegendeel het geval en hebben ze moeite met leren, de school en discipline. Veel van deze kinderen gaan dan ook niet direct naar het VWO maar volgen eerst de Mavo als springplank naar een hogere opleiding. Ze hebben een voorkeur voor creatieve beroepen bij het toneel,het theater of bij het medium televisie. En bij enkele van deze dochters en zonen is dat goed gelukt en zijn ze nu zelf min of meer bekende Nederlander zoals Andrea Kruis (striptekenaar), Jeroen Oerlemans (fotograaf), Boukje Keulen (ex-schaatser), Martijn Krabbé (presentator), Benjamin Landshoff (regisseur), Gert van Hanegem (voormalig profvoetballer), Caya de Groot (actrice) en …. Ach lees zelf want het boek “‘Uit een goed nest’” leest heerlijk vlot weg.

maandag 12 december 2011

Huub Beurskens (1950-)

“Toen mijn eerste vrouw me vertelde dat ze er een vriend op na hield en toen ze al gauw daarna vier dagen en nachten met hem in een pension in en bosrijke omgeving ging doorbrengen, ben ik naar Brussel gereisd. Toen mijn tweede vrouw een week geleden iets soortgelijks vertelde en deed, wilde ik niet dezelfde fout maken en ben naar Parijs gereisd. “

Met deze zinnen opent Huub Beurskens het verhaal ‘Belgrado’ uit zijn bundel “Badhok”waarbij ik onwillekeurig in de lach schoot. Maar misschien is het bittere ernst want in zijn novelle “Noordzeepalmen” gaat de hoofdfiguur nadat zijn eerste vrouw hem verlaten heeft naar Brussel om in een hotelkamer te verblijven. Dat boek is onthullend omdat hij als leraar een relatie begint met een leerlinge van 13 jaar. Beurskens die op dat moment zelf docent was, was verrast door de reacties van zijn collega’s die het Lolita motief een interessant thema vonden. In een interview met “Hans van de Waarsenburg” zegt Beurskens hierover: ‘Als ze dat lezen’, dacht ik, ‘slikken ze het niet’. Niks hoor, ze slikken alles, terwijl als dit boek in werkelijkheid door mij zou zijn utgevoerd, dan zou ik mijn baan zijn kwijtgeraakt en nooit meer een andere gekregen hebben. Het is duidelijk Beurskens schuwt geen taboes.

Ik kende de schrijver slechts van naam en had nog nooit wat van hem gelezen. Iets dat na het lezen van de bundel Badhok verandering in gaat komen. Ik was verrast door deze verhalen waar alle logica uit verdwenen lijkt te zijn, een herkenbare wereld dat wel maar één met absurde wendingen waardoor een verhaal kantelt in nieuwe werkelijkheden waar ik als lezer volkomen in meega.

Het titelverhaal Badhok gaat anders dan doet vermoeden niet over zwemmen maar over een Roemeense vluchteling die door de dorpelingen Badhok wordt genoemd omdat ze uit zijn gebrabbel alleen dat woord kunnen verstaan. Badhok wordt door nonnen verborgen gehouden in een klooster, heeft een prachtig lijf maar een ondraaglijke stank van kippenstront draagt hij met zich mee. Maar net zoals in het verhaal “De neus” van Gogol heeft hij geen neus maar een afgrijslijke holte gat in zijn gezicht. Badhok weet te ontsnappen en als ‘hobo ‘ reist hij in goederenwagons naar Rome. Daar wil hij als heilige eindigen en besluit van de koepel van de Sint Pieter naar beneden te zweven als engel. Maar de werkelijkheid is anders, hij stort naar beneden en slaat te pletter op de grond waar alleen zijn stank blijft hangen.
In het verhaal “De wrede liefde van Rita Polanen” wil een trouwlustige slager zijn toekomstige gade verleiden door zelf dieren op te zetten die door hun aaibaarheid op vrouwen een onweerstaanbare drang oproepen en ze daarmee verleiden met hem in het huwelijksbed te stappen.
Veel van de verhalen in deze bundel hebben iets lichamelijks zoals de man die met zijn groot scrotum ter grootte van rugby ballen, de risee is van het dorp, deze gemeenschap ontvlucht en op zijn reis een vrouw die met haar liefde zijn scrotum tot normale proporties terugbrengt. Inmiddels in goeden doen, met een beeldschone sexy vrouw en twee prachtige dochtertjes bezoekt hij in zijn sportwagen het dorp waar hij geboren is.
In het verhaal ‘De laatste nacht’ blijft de zoon van een beddenfabrikant op schoolstage een nacht weg. De volgende dag vindt men hem in een schuur, de zoon blijkt langzaam te verworden tot een stier. Op vakantie nemen zijn ouders hem mee naar Spanje om hem als stier te laten optreden in een arena.

De literaire vorm die Beurskens in dit boek hanteert is de stijl van het Groteske, een genre dat teruggaat tot de 14e eeuw. Grotesk betekent letterlijk ‘grot’ afgeleid van het Italiaanse woord Grotteschi. In de 1e eeuw liet de wrede Romeinse keizer zijn Domus Aurea (Gouden Huis) bouwen met prachtige symmetrische muurschilderingen van een aaneenschakeling van menselijke figuren, dieren, vogels, bloemmotieven die in een fantastische opeenstapeling met elkaar verbonden zijn. Keizers na Nero lieten uit afschuw om zijn wreedheden Nero’s domus volstorten met puin maar sommige zalen bleven intact en men bouwde op de restanten nieuwe gebouwen. In de Renaissance herontdekten kunstenaars deze zalen, daalden met gevaar voor eigen leven af naar beneden en gebruikte de afbeeldingen als inspiratie voor hun nieuwe kunst.
Het literaire genre is hiernaar vernoemd. In Nederland is deze vorm niet veel gebruikt en enkele schrijvers als Belcampo, Fritzi Harmsen van Beek en Hans Koekoek worden als beoefenaars van het genre gezien.

Huub Beurskens hoort niet thuis in deze blog maar zijn bundel Badhok verdient ruim twintig jaar na publicatie nog alle aandacht.

zondag 27 november 2011

Willy Corsari (1897-1998)

Dit weekend ontvingen de Volkskrant lezers een gratis dvd van de eerste aflevering van de Scandinavische detective serie The Bridge. Een lijk gevonden op de brug tussen Denemarken en Zweden is het begin van een reeks spannende gebeurtenissen. Het lijk blijkt in tweeën te zijn gesneden en de delen zijn afkomstig van twee verschillende personen. De bovenste helft behoort toe aan de voorzitter van de gemeenteraadsfractie en als motief wordt genoemd de invoer van leengeld dat de voorzitter de plaatselijke openbare bibliotheek wilde opleggen. Het is te hopen dat de Stichting Leenrecht in Nederland in de zaak leenrechtvergoedingen deze kwestie minder hoog opneemt en het bij een rechtszaak laat.

Scandinavische thrillers scoren hoog bij het Nederlands publiek. Eens was de situatie omgekeerd en werd een Nederlandse detective schrijfster in Denemarken als een filmster onthaald, bestormd door fotografen en cameramensen, handtekensessies werden bezocht door duizenden mensen en haar onderkomen in de Koninklijke suite van een hotel leek op een “oerwoud van bloemen”. Deze eer viel Wilhelmina Angela Scmidt beter bekend als Willy Corsari te beurt voor haar detectives. Ze is in 1897 geboren in het Brusselse voorstadje Saint-Pierre-Jettte en was in de vorige eeuw een van de populairste en productiefste schrijfsters van Nederland. Haar vader was diamantbewerker en ambieerde een artistieke carrière als beeldhouwer en als operazanger wat niet geheel lukte.

Willy werd naar de toneelschool in Amsterdam gestuurd, kreeg zanglessen in Berlijn en trad toe tot het cabaret van Jean Louis Pisuisse en werkte samen met de grote namen uit die tijd als Cor Ruys, Fien de la Mar, Pisuisse en het echtpaar Speenhoff.
Ze was succesvol en later toen ze alleen optrad, ging ze liedjes voor zichzelf schrijven omdat die volgens haar beter bij haar pasten. Het waren kleine verhaaltjes over liefdes en haar leven als artiest. In 1972 ter gelegenheid van haar vijfenzeventigste verjaardag werd de plaat ‘Liedjes in de schemering’ uitgebracht, gezongen door bekende zangeressen uit die tijd (voor groting, klik op de e foto). Stukjes van de liedjes zijn te beluisteren op de site van Fonos.

Na een mislukt huwelijk met een saaie notaris, hertrouwde ze de Telegraafjournalist H.W.C. Douwes en met hem schreef ze in 1927 haar eerste detective “Misdaad zonder fouten”. In de dertiger jaren leefde ze enige tijd samen met Jan Campert, de vader van Remco met wie ze samen het boek ‘Klokslag Twaalf’ schreef. Haar grootste succes was het Mysterie van de Monscheinsonate het boek waarin de bekende inspecteur Lund debuteert. Onlangs heb ik deze detective na vele jaren herlezen en ik moet zeggen het boeide opnieuw, het heeft vaart en heeft door de jaren heen nog weinig aan kracht ingeboet. Het boek is in 1935 verfilmd en is onlangs op DVD uitgekomen. In een interview met Henk van der Meijden zegt Willy Corsari dat moord en suspense vanaf haar vroege jeugd haar vergezelde. Op jonge leeftijd vernam ze bij stukjes en beetjes dat haar lichtzinnige tante Corrie door een jaloerse minnaar was vermoord. Bij de geruchtmakende moord op het echtpaar Pisuisse en de zelfmoord van de schutter kenden ze de hoofdpersonen van nabij. Op de toneelschool verloor ze haar jeugdvriendin die overleed aan een bloedvergiftiging die ze bij een abortus opliep. Haar man overleed op jonge leeftijd aan een nierziekte. Wie weet misschien was het schrijven een aanleiding om met deze tegenslagen te kunnen omgaan. Zelf behoort Willy Corsari tot een van de oudste schrijfsters van Nederland en is ze honderd jaar geworden.

zondag 6 november 2011

Theun de Vries (1907-2005)

Van Hans Krol [HK], verwoed verzamelaar van alles wat met bibliotheken te maken heeft, ontving HetVergetenBoek een uitgebreide beschrijving over Theun de Vries die in zijn jonge jaren directeur van de bibliotheek Sneek is geweest. Dit ter aanvulling van de post 'Help Mee'van 16 februari 2011.

Theun de Vries (1907-2005) romanschrijver.
Werkte van 1929 tot 1936 als assistent bij de openbare leeszaal van Sneek na het assistentsdiploma in 1929 in Utrecht te hebben behaald. Omdat ik over het stamboek van de Sneekse bibliotheek beschik uit de periode dat Theun de Vries daar werkzaam was ga ik [HK]wat dieper op diens bibliotheekloopbaan in. Dr. Overdiep, zijn leraar Nederlands raadde Theun de Vries in 1927 aan middelbaar Nederlands te gaan studeren. Omdat vooral het linguïstische onderdeel hem tegen stond zag hij hiervan af. Volgens Overdiep bleef in dat geval voor zijn persoon nog maar één ding over: het volgen van een bibliotheekopleiding. Als leerling ging hij toen stage lopen bij de openbare leeszaal in Apeldoorn. “Daar heb ik de grondbeginselen van het bibliotheekvak geleerd.” Vervolgens genoot hij het voorrecht om zijn volgende stage te volgen aan de openbare leeszaal in Hilversum, welke instelling in die tijd landelijk een goede naam had. “Veel van deze ‘Gooiers’ [intellectuelen en kunstenaars] bezochten de bibliotheek, die op literatuurgebied werkelijk een schatkamer was. Overigens ben ik daar voor het eerst en heel uitgebreid in aanraking gekomen met de jonge Sovjet-literatuur.” In 1929 solliciteerde De Vries naar een functie als tijdelijk assistent bij de openbare leeszaal van Sneek en werd hij aangenomen en even later werd hij vanwege een nieuwe vacature in vaste dienst aangesteld. In 1930 vroeg hij het bestuur studieverlof aan voor het volgen van de directeurscursus in Den Haag. Blijkens een bericht in ‘Bibliotheekleven’ van 1931, blz. 134, is aan T.U. de Vries te Sneek als enige man
het directeursdiploma uitgereikt evenals aan 11 dames.
Dat diploma werd gehaald, maar dr. P.C.Molhuysen, directeur van de Koninklijke Bibliotheek en inspecteur van het openbaar bibliotheekwezen was verre van enthousiast, gelet op diens uitspraak “U bent dichter en dichters zijn incapabel voor zakelijke dingen. Wij achten u volledig ongeschikt om ooit directeur van een bibliotheek te worden. Gaat u maar naar Sneek terug, want daar zult u niet te veel schade kunnen aanrechten.” Theun de Vries voegde daar in een gesprek met Hans van de Waarsenburg aan toe: “Intussen bleek ik een heel goede bibliothecaris te zijn; ik heb tussen 1932 en 1934 bijvoorbeeld de hele bibliotheek in Sneek opnieuw gecatalogiseerd. Overigens was mijn opleiding in Den Haag voor mij een lichtpunt, want zo kon ik een jaar weg uit Sneek. Ik was trouwens de enige man die deze directeurscursus volgde, de rest van het gezelschap bestond uit meisjes, die uit alle delen van het land afkomstig waren. Ze behandelden mij erg collegiaal en voor hun lieve toenaderingen werd ik behoed door het feit dat ik in Apeldoorn Aafje Maria Vernes had, mijn meisje. Zij was voor mij het beschermende denkbeeld en een hele grote troost. Toen ik in Sneek terugkwam, was zij de enige bij wie ik heul en soelaas kon vinden.”
18 juli 1931 vroeg Theun de Vries bij het bestuur eervol ontslag aan wegens gezondheidsredenen. Echter op 26 augustus trok hij zijn ontslagaanvrage in omdat zijn ouders zich zeer tegen zijn terugkeer in het ouderlijk huis te Apeldoorn hadden verzet. Tevens verzocht hij goedkeuring voor het feit dat hij tijdelijk zijn intrek had genomen ten huize van de conciërge der Leeszaal. Het bibliotheekbestuur stemde in met een en ander.
Op 24 augustus 1931 is het volgende familiebericht geplaatst in de krant Handelsblad:

Van 1924 tot 1931 was A.H. de Vries directeur van de openbare leeszaal, in 1933 opgevolgd door mej. G.Y.Vonk.
Op 1 augustus 1933 verzocht Theun de Vries schriftelijk aan het bestuur verlof om een congres van schrijvers gedurende een maand van half september tot half oktober in Moskou bij te wonen. “De bedoeling is, het Nederlandsche schrijvers mogelijk te maken, zich persoonlijk op de hoogte te stellen van de toestand in Rusland, eventueel met het doel daarover te schrijven.” In een bestuursvergadering van 14 augustus ontstond hierover een brede discussie en De Vries legde uit dat het om een ‘internationaal schrijverscollectief’ gaat van revolutionaire auteurs, niet allemaal zuivere communisten. Hij verklaarde verder desgevraagd dat bijwoning weliswaar geen voordeel zou hebben voor de Sneekse leeszaal. Hierna bleek het bestuur verdeeld, maar dankzij de voorzitter werd in meerderheid met het verzoek ingestemd. Voor de secretaris was dat aanleiding te bedanken als bestuurslid omdat “hij niet wil meewerken aan het propagandistisch streven van de Sovjet regering.” Uiteindelijk is door De Vries afgezien van zijn reis naar Moskou. Aan de directrice had hij vooraf medegedeeld liever niet te zullen gaan wanneer geen beslissing met eenparigheid kon worden genomen.
In 1934 ontving De Vries van Maxim Gorki een persoonlijke uitnodiging een congres van Sovjet schrijvers bij te wonen, maar omdat anders zijn functie in Sneek in het gedrang zou komen zag hij ook daarvan af.
In eerder genoemd stamboek van de bibliotheek is de roman ‘Stiefmoeder aarde’ uit 1936 als het 29.008ste boek ingeschreven, bij de boekhandel aangeschaft voor ƒ 3.90. Publicatie hiervan gaf aanleiding tot de zoveelste botsing tussen Theun de Vries en het leeszaalbestuur en de schrijver nam, zoals hij later schreef, opgelucht afscheid van “het miserabel kleinestadsbestaan” om vervolgens in Amsterdam te worden van het communistische partijorgaan ‘De Tribune’. Eenmaal woonachtig in de hoofdstad zijn nog verscheidene schenkingen van Theun de Vries in het bibliotheekbezit opgenomen, allemaal met een duidelijk politieke signatuur, zoals ‘Lenin’ door J.W.Stalin, ‘Grondslagen van het tweede vijfjarenplan’, ‘Het communistisch manifest’(Karl Marx en Friedrich Engels). Het aanschafbeleid van Sneek kan men allesbehalve eenzijdigheid verwijten. Veel letterkunde en allerlei ontwikkelingsboeken waarop niets valt af te dingen. Ook ‘Mein Kampf’ van Adolf Hitler, naast stichtende werken van of over figuren als Tagore, Krishnamurti, Gandhi, Schweitzer, Buskes, Einstein en paus Pius XI.
Boeken als ‘Doctor José droomt vergeefs’ (1933) en ‘Eroica’ (1934) zijn als ‘geschenk’[van de auteur en assistent bibliothecaris] genoteerd,
In 1936 diende Theun de Vries zijn ontslag in. Het jaarverslag maakte hier melding van met de volgende woorden. “Na 7 jaar als assistent aan de Leeszaal verbonden te zijn geweest, vertrok de heer de Vries half januari naar Amsterdam. Als een vlug en voortvarend werker heeft hij veel voor de Leeszaal gedaan, terwijl van zijn uitgebreide boekenkennis menigeen heeft kunnen profiteren.” Een half jaar later stuurde hij nog een bedankbriefje aan het bestuur.
Over Theun de Vries is in maart 2011 het eerste deel van een uitvoerige biografie verschenen van Jan van Galen: Theun de Vries – Een schrijversleven. 1907-1945. Uitgeverij Aspekt. Voorts kwam in 2010 een fraaie boekuitgave uit door Albert H.Pasma: 100 jaar bibliotheek Sneek, waarin uiteraard Theun de Vries ter sprake komt evenals o.a. het belangrijke bestuurswerk van dr. L.Hertzberger van 1910 tot 1922.
In 1993 sprak ik [HK] de schrijver in de openbare bibliotheek van Heemstede toen Felix Rottenberg hem het eerste exemplaar overhandigde van een boek door de toentertijd in Heemstede woonachtige Ruud Vreeman: De factor arbeid: werkende mensen in de letteren.
Theun de Vries sprak toen met veel nostalgie over zijn jaren als bibliothecaris in Sneek.

woensdag 26 oktober 2011

Vlaamse bibliothecarissen en schrijvers

Ditmaal aandacht voor Vlaamse bibliothecarissen en archivarissen die zich op het letterkundig pad begaven. Het zijn er vele. Als een rode draad loopt bij een aantal van hen het Vlaams bewustzijn, Wo I en de Antwerpse bibliotheek waar velen een baan hadden. Er zijn (on)bekende schrijvers bij waar ik op getipt ben door Hans Krol die zo vriendelijk was om zelf te zorgen voor een korte beschrijving waarbij hij niet schroomde om voor hulp bij Vlaamse collega's aan te kloppen.

Prosper Arents (1889-1984), Antwerpse bibliothecaris schreef korte verhalen die volgens het Lectuur Reportorium uit 1936 'amoreel en onbruikbaar' zijn. Arents is meer bekend door zijn goed gedocumenteerde bibliografieën die hij samenstelde over onder meer Guido Gezelle, Lode Baekelmans en Pieter Paul Rubens. [HK]








Lode Baekelmans (1879-1965) werkte als bibliothecaris van een volksbibliotheek in de Blindenstraat te Antwerpen die onder zijn bezielende leiding al snel een modelbibliotheek werd, na enige tijd promoveerde hij tot stadsbibliothecaris van de stad Antwerpen. Zijn bekendste boeken als schrijver zijn Tille, meneer Snepvanger en Het rad van avontuur. Zowel in de letterkundige - als de bibliotheek wereld was hij gezien en gevraagd. Hij bekleedde tal van vele bestuursfuncties en zat vele congressen en symposia voor. Hij stierf op 11 mei 1965.





Jaak Boonen (1875-1944) was een voorbeeldig student en zijn ouders zagen in hem een toekomst als priester. Hij werd echter hulpbibliothecaris bij de kamer van Volksvertegenwoordigers en schreef voor koning Albert redevoeringen. Boonen was niet alleen doctor in de wijsbegeerte en letteren, maar ook hoogleraar en letterkundige. Hij schreef verscheidene bundels folkloristisch getinte verhalen en maakte veel vertalingen o.a uit het Frans en het Engels. [HK]





Herman Brusselmans (1957) ging na zijn studie Germaanse filologie werken in de bibliotheek van een ministerie. Over deze tijd schreef hij de roman 'De man die werk vond' dat gaat over de zonderlinge bibiothecaris Louis Tinner, beheerder van een recreatiebibliotheek, dagdromend over meisjes, bladzijden uit boeken scheurt, klanten uitscheldt etc. Brusselmans is een succesvol veelschrijver die niet te beroerd is om collega's onder uit de zak te geven. Publieke optredens vallen door zijn humor en provocaties bij vooral jonge mensen in de smaak.

Guido Cloet (geb. 1953)
Dichter die in een kwart eeuw tijd een drietal bundels publiceerde. Hij is beheerder van het ‘Tabularium’ (Oude drukken en Archief) van de Leuvense Universiteitsbibliotheek (inf. Marcus de Schepper). [HK]







Eugene [Eugeen] De Bock (1889-1981) is een schrijver van literair-historische essays en van novellen en tevens directuer van uitgeverij ‘De Sikkel’. Hij trad op 1 januari 1912 als klerk in dienst van de stadsbibliotheek onder directie van Emanuel de Bom en werd in december 1918 ontslagen.







Jos Daelman is gegradueerde in de bibliotheconomie en in de wetenschappelijke en technische documentatie. Tot zijn pensionering in 1997 werkte hij als informatiedeskundige. Sinds 1994 is hij docent poëzie aan de Schrijversacademie te Antwerpen. Hij debuteerde in 1974 met de dichtbundel Land tussen zee en aarde. Behalve in de eigen taal schrijft en publiceert hij ook in het Engels, o.a. het in 1992 bij Fantom verschenen Letters from Sark and other places. [HK]







Servaes Dominicus Daems (1838-1903) was kanunnik van de abdij Tongerlo. Hij was leraar in de godgeleerdheid en bibliothecaris van de Norbertijner abdij. Hij schreef onder het pseudoniem Peeter Klein talrijke verhalen, gedichten en een roman. [HK]











Johan Daisne (1912-1978) staat door zijn enorme productie ook wel bekend als de Vlaamse Dostojevski. Hij introduceerde het magische realisme in de Nederlandse literatuur. Bekende werken zijn 'De man die zijn haar kort liet knippen', 'De trap van steen en wolken' en 'De trein der traagheid'. De laatste roman gaat over een bibliothecaris die een treinongeluk meemaakt waarbij de 'wet van traagheid'een rol speelt. Van dit boek is een film en een toneelstuk gemaakt. Daisne was met hart en ziel bibliothecaris onder meer in de openbare stadsbibliotheek te Gent.




Emmanuel De Bom (1868-1953) grossierde in tientallen pseudoniemen en schreef romans, biografieën, essays en kritieken. Tot zijn bekendere werken behoren Wrakken uit 1898 en Het levende Vlaanderen uit 1917. In de stad Antwerpen werd De Bom bibliothecaris, maar werd in 1918 na de Eerste Wereldoorlog om zijn flamingantische ideeën ontslagen. Pas in 1926 werd hij dankzij onder meer August Van Cauwelaert in eer en functie hersteld.





Frits Francken pseudoniem van Frederik Edward Clijmans (1892-1969) was assistent bibliothecaris (1919-1934) aan de Stedelijke Volksbibliotheek te Antwerpen schreef journalistieke bijdragen voor diverse kranten en maakte naam met goede romantische en realistische novellen. [HK]








Maurice Gilliams (1900-1982) was een Vlaams schrijver en dichter. Hij trouwde met Gabriëlle Baelemans maar al snel na hun huwelijk leefden ze gescheiden. Zijn werk is autobiografisch waarvan de roman Elias of het gevecht met de nachtegalen de bekendste is. De thema's waar hij over schreef waren zijn mislukt huwelijk en zijn verloren jeugd. Gilliams was jaren wetenschappelijk bibliothecaris van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen.







Frans Gittens (1842-1911) schreef onder pseudoniem van Dick ‘o the Flannel, was lid van de Antwerpse gemeenteraad en hoofdbibliothecaris van de Stadsbibliotheek (1903-1911). Hij schreef toneelstukken in de Nederlandse, Franse en Engelse taal. [HK]







Constant Jacob Hansen (1833-1910) geboren te Vlissingen was een Vlaams schrijver, boekhouder en journalist. Zijn vader was van Deense afkomst en zijn moeder was een Zeeuwse. Hansen werd uiteindelijk directeur (stadsbibliothecaris) van de Antwerpse bibliotheek. Hij schreef gedichten, publiceerde artikelen over de 'Dietsche' taal en stam en was lid van de Vlaamse beweging. [HK]



Emmanuel Hiel (1834-1899) schreef onder pseudoniem van G. Hendrikssone gedichten en oratoria. Vanaf 1869 was hij bibliothecaris van het Koninklijk Nijverheidsmuseum in Brussel. [HK]








Karel Jonckheere (1906-1993) was een veelzijdig schrijver met een poëtische pen, schreef gedichten, reisverhalen, novellen essays en kritieken. In 1946 werd hij benoemd als rijksinspecteur van de openbare bibliotheken voor West-Vlaanderen, tot 1953. In Nederland werd hij bekend als voorzitter van het satirische televisieprogramma “Hou je aan je woord” waar ook Hella Haasse, Godfried Bomans en Dr. Victor E. van Vriesland optraden. Jonckheere onderscheidde zich in dat programma als taalvirtuoos en inventief man. [HK]



Alice Nahon (1896-1933) was een bekend en gevierd dichteres in Vlaanderen. Op haar achttiende werd ze verpleegster en hielp onder erbarmelijke omstandigheden de soldaten. Toen ze zelf ziek werd is ze verkeerd gediagnotiseerd en meende men dat ze aan tbc leed in plaats van een chronische bronchitis. Bij de geboorte van Gerard Walschaps zoon Hugo was Alice kraamzuster. Nahon werd in 1927 bibliothecaris in Mechelen maar moest haar baan opzeggen in 1932 en overleed niet lang daarna.




Willem Putman (1900-1954) kreeg als zoon van vader Palmer Putman die toneeluitgever, boekhandelaar en schrijver was van vooral volkse toneelstukken, het toneelschrijven met de paplepel ingegoten. Hij was een bijzonder verdienstelijk en productief toneelschrijver. Van 1926 tot 1944 was hij inspecteur voor openbare bibliotheken in West-Vlaanderen. [HK]






Ward Ruyslinck (1929) is een Vlaams schrijver en prijkte veelvuldig op boekenlijsten van scholieren met roman 'De ontaarde slapers' en 'Wierook en tranen'. Zijn vader was bibliothecaris bij een oliemaatschappij en hij trad in zijn voetsporen toen hij adjunct-bibliothecaris werd van het prentenkabinet van het Plantijn-Moretusmuseum te Antwerpen. Zijn werk is vertaald in twaalf talen, verfilmd en voor het toneel bewerkt.






Ward Schoutenden (1894-1957) was in Wo I frontsoldaat. Hij is auteur van een aantal uitstekende toneelstukken en was in het dagelijks leven bibliotheekinspecteur in Belgisch Limburg. [HK]











Theodoor Sevens (1848-1927) Dichter en schrijver van kinderliedjes. Was behalve hoofdonderwijzer ook werkzaam als archivaris van Kortrijk. In 1958 is de openbare bibliotheek van Kinrooy vernoemd naar haar beroemde dorpsgenoot Theodoor Sevens. [HK]





Antoon Thiry (1888- ) was sedert 1921 enkele jaren bibliothecaris te Tiel, in Nederland. Hij schreef kleine stadsnovellen die in de letterkundige kritiek goed werden ontvangen wat niet van zijn romans kan worden gezegd. [HK]








Jan Van Beers (1821-1888) schreef zijn eerste dichtbundel 'Jongelingsdromen' in 1853. Van 1844 tot 1849 was hij hulpbibliothecaris in de Stadsbibliotheek van Antwerpen. Hij was Vlaamsgezind en een groot bewonderaar van de Nederlandse dichter Tollens. Hij trouwde met Hendrika Mertens, dochter van de hoofdbibliothecaris, Frans-Hendrik Mertens. In 1852 werd hun zoon Jan van Beers jr. geboren die zich zou ontwikkelen tot een bekend societyschilder. [HK]







Frans Jozef Peter Van den Branden (1837-1922) schreef letterkundig-historische werken en toneelstukken en was stadsarchivaris van de Stadsbibliotheek Antwerpen. [HK]










Prudens Van Duyse (1804-1859), leraar aan het Atheneum en Akademie te Gent en sedert 1838 stadsarchivaris. Hij beschikte over een ongewoon improvisatietalent wat hem tot een beroemd gelegenheidsdichter maakte. Zijn dichtbundels kenmerken zich door een sterke lyriek en spontane gevoelens. [HK]







Albert Korneel Jozef Van Hoogenbemt (1900-1964), dichter en schrijver. Hij schreef een roman over een Verlaine-achtige persoonlijkheid met een rusteloze Bohemien natuur. Vanaf 1 juli 1948 (tot 1968) werkzaam bij het Ministerie van Onderwijs in de functie van hoofdinspecteur voor openbare bibliotheken en volksopleiding. [HK]









Gerard Walschap begon aan een studie voor priester en verruilde dat al snel voor een schrijverschap bij een weekblad . Later begon hij gedichten, toneelstukken, novellen en romans te schrijven. Zijn werk was in het katholieke België voor de WO II zeer omstreden en werden geplaatst in de beruchte index die ook voor bibliotheken gold. Walschap vocht tegen deze hypocrisie en werd uiteindelijk een gelauwerd auteur. In 1940 werd hij benoemd tot inspecteur van de openbare bibliotheken.






Jan Frans Willems (1793-1846) was activist en wordt gezien als de ‘Vader van de Vlaamse Beweging’. Hij schreef gedichten hymnen en was van 1815-1821 hulparchivaris van het Stadsarchief Antwerpen. [HK]







Emiel Willekens (1922-2009) was tijdens zijn leven onder meer directeur van de stadsbibliotheek Antwerpen, directeur van een middelbare opleiding voor bibliotheekpersoneel en op tal van terreinen actief. Hij schreef gedichten en biografieën over o.a. Hendrik Conscience, Karel Cuypers en Emanuel Hiel. In literaire tijdschriften publiceerde hij over Willem Elsschot, Knut Hamsum en Alice Nahon . [HK]