donderdag 9 februari 2012

Een liefde van...

Een liefde van … is de titel van een boek met interviews die Betty van Garrel in de jaren tachtig hield met schrijvers, schilders en musici over hun eerste liefde. Onuitwisbare herinneringen zijn het.
Al kan Simon Vinkenoog zich alleen nog de hartstochtelijke omhelzing en de toepasselijke naam van de straat herinneren waar het gebeurde, de Smaksteeg. Het beeld van het gezicht en de naam van het meisje zijn na vijftig jaar uit zijn geheugen weggevaagd. Het kan vreemd gaan met zo’n eerste liefde.
Tijdens het lezen word je bewust hoe krampachtig er in sommige milieus vlak voor en na de WO II met de andere sekse werd (samen)geleefd. Het waren gescheiden werelden waar de liefde schuchter en soms bijna verborgen werd beleefd.
Zo niet bij Geert Lubberhuizen de latere uitgever van de Bezige Bij die met zijn vriend Max in een smal zijstraatje waar het meisje van hun dromen woonde, samen gingen staan fluiten als ze het licht in haar kamertje ontstak. Deze serenades hebben anderhalf jaar geduurd. Max hield er gewoon een keer mee op maar Geert bleef trouw op zijn post, tot op een avond een vrouw een teil met ijskoud water naar beneden gooide onder de toevoeging: “En nou moet het maar eens afgelopen zijn. Wegwezen jij!”.
Ook was er in die dagen veel standsverschil. Zo voelde Theun de Vries zich op het kleine, elitaire gymnasium in Apeldoorn geheel buitengesloten van het bourgeoisie milieu waar zijn klasgenoten toe behoorden. De Vries heeft de voor hem onbereikbare meisjes niet op de proef gesteld, hij werd verliefd op een oudere vrouw zijn lerares Engels. Tot zijn teleurstelling bleef het platonisch maar door haar heeft hij wel de Engelse literatuur goed leren kennen.
Dat was anders bij Carel Willink die studeerde in Delft en die op straat een meisje ontmoette. Ze was hoedenmaakster, heette Christien, was zes jaar ouder en had al een kind iets wat Willink pas veel later te weten kwam. Met haar beleefde hij zijn eerste liefde maar hij moest zich na verloop van tijd wel onder behandeling stellen van een huidarts ondanks haar verzekeringen dat hij de enige was. Het bekoelde hun relatie en hij meende dat ze hem niet achterna zou reizen als hij naar Berlijn zou gaan. En zo geschiedde. Willink is verder gegaan in de schilderkunst en zo heeft Christien toch haar invloed doen gelden.
Jan Cremer groeide op met zijn alleenstaande moeder die werkster was en met een raar Hongaars accent sprak. Moeder en zoon, ze hoorden er in Enschede niet echt bij. Via het Armenbestuur en het Internationale Rode Kruis kwam hij terecht in een Duits kindertehuis en verbleef hij daar een jaar. Daar ontmoette hij Schwester Jana die net zo vreemd sprak als zijn moeder maar dan met een Pools accent, op haar werd hij verliefd met haar korenblond haar, brede jukbeenderen, zware boezem en volle heupen. Eens zei ze tegen hem, later gaan we trouwen. Dat klonk als een belofte en zijn verliefdheid heeft lang geduurd. Toen hij weer terug was in Enschede stuurde hij haar geregeld ansichtkaarten. Schwester Jana heeft hij nooit meer gezien. Maar decennia later als Cremer naar Duitsland gaat dan voelt hij nog steeds ontroering voor de Duitse vrouw waarvan de man aan het front is. En over die vrouwen die thuis alleen achterblijven om voor huis en kind te zorgen, zegt hij, het lijden staat die vrouwen op hun gezicht geschreven en toch houden ze die warmte hè.
Jan kende schrijfster Betty van Garrel uit zijn jonge jaren als kunstenaar. Op internet zwerft nog een prachtige foto rond van Armando, Jan Cremer, Cor Vaandrager en Betty van Garrel waar ze in de Haagse Salon voor een groot abstract schilderij staan. Cremer omschreef Betty van Garrel eens als "een mollig vrouwtje, roze als een pas geschrobd varkentje met de stem van Miss Piggy, die wekelijks haar opstelletjes voor de pagina Mensen, Dieren, Dingen ter beoordeling voor kwam leggen”. Betty van Garrel (1939-) schreef voor de Haagse Post, het roemruchte blad Hollands Diep en het Cultureel Supplement van NRC Handelsblad over beeldende kunst, schreef schrijversportretten en werkte mee aan tv kunstprogramma’s.

Veel eerste liefdes blijven onbeantwoord en waarom… Jacqueline de Jong was zo erg verliefd op haar Ilja dat ze in wanhoop haar polsen voorzichtig doorsneed. Dertig jaar later ontmoet ze hem in een winkel, een middelbare man met wat grijs haar aan de slapen en ze herkent hem aan zijn licht Twents accent. Ze praten en halen herinneringen op tot ze hem vertelt hoe verliefd ze op hem was geweest. Hij reageerde dat hij het helaas nooit door had gehad. Ja zo kan het dus gaan maar gelukkig is er tegenwoordig Valentijn!
Het boek De liefde van ...is te leen bij de openbare bibliotheek.

dinsdag 7 februari 2012

Cyriel Buysse (1859-1932)

In 1917 was het koud, bitterkoud, de Zuiderzee en de Waddenzee waren bevroren en een oversteek naar de Waddeneilanden deed men te voet met gevaar voor eigen leven. De grachten, meren en plassen in Nederland waren bevroren en die er tijd voor hadden, gingen schaatsen. Eind januari werd er een Elfstedentocht gehouden. De Vlaamse fabrikantenzoon Cyriel Buysse, getrouwd met de vermogende Nederlandse weduwe Nelly Dyserinck, woonde op dat moment in Den Haag ver van het oorlogsgeweld dat zijn land teisterde. Het is bekend dat de echtparen Couperus en Buysse met elkaar waren bevriend. In 1916 schreef Couperus het schaatsverhaal ‘Het stille geneucht’ dat door schaatskenner Max Dohle herspeld is tot ‘Het stille genot’. Het is laatste wat je van die artistieke en decadente Couperus zou verwachten dat hij in sneeuw en ijs de ijzers onderbindt. Wie weet misschien heeft hij Buysse weten te inspireren tot het schrijven van zijn boek ‘De roman van een schaatsenrijder’ (1918) dat heel direct opent met: “Ik wil u een en ander vertellen uit het leven van een schaatsenrijder. Die schaatsenrijder ben ik.” Deze roman gaat niet alleen over zijn hartstochtelijke liefde voor het schaatsen maar ook over zijn verloren liefdes. Al bij de eerste aanblik van een meisje kon Buysse als aan de grond genageld staan en wist hij met zekerheid dat hij verliefd was. Als 18-jarige vat hij een gepassioneerde liefde op voor de paar jaar oudere herbergierdochter Tieldeken van Meylegen. Met zijn bootje vaart hij zomers door het gebied van de Meylegemse Meersen en landt hij aan bij de herberg “In het Gemeentehuis”. Verliefd zijn is prettig maar ook pijnlijk. Zeker als je met haar alleen bent in de gelagkamer, en je schuchter voelt en niets weet te zeggen of in gezelschap met ruwe ongemanierde kerels die met hun smakeloze, grove grappen Tieldeken uitlokken dan voelt de jonge Buysse zich gegeneerd en vindt hij haar beeld ontheiligt. “Zoo was er eens een die mij zei, terwijl Tieldeken hem in den kelder een glas bier ging halen:
—’t Es ’n malsch poezeken, e-woar, meniere; moar ’t es spijtig da ze kromme bienen hêt.Een golf van bloed steeg naar mijn hoofd. Kromme beenen! Daar had ik nooit iets van gemerkt. Hoe wist die kinkel....!”
Die opmerking bleef bij Buysse hangen en maakte hem iets minder smoorverliefd. Maar in de wintermanden erna toen er een lange vorstperiode aanbrak, trok hij als één van de eerste (kunst)schaatsers uit de streek naar de herberg in Meylegem. Daar voor de herberg op de windstille ijspiste vertoonde hij zijn sierlijke kunsten van het draaien van krullen en rondjes op het ijs waar hij een ware meester in was. De beloning kwam toen Tieldeken haar hand voor haar mond sloeg en in verbazing vroeg waar hij dat geleerd had. Maar het liep zo geheel anders af ….

Jaren later als hij zijn kennissenkring heeft uitgebreid ziet Cyriel tijdens een schaatstocht voor een kasteel de knappe jonkvrouw Quiline op wie hij op slag verliefd raakt. Hij laat zich dit aan zijn artistieke vrienden ontvallen die van plan zijn hem er mee te plagen door de nietsvermoedende jonkvrouw te confronteren met de Buysse’s verliefdheid. Ironisch genoeg ‘noemt hij zijn geliefde ‘ijsliefde’.

Als hij op de leeftijd is dat men verwacht dat hij zijn vader opvolgt in de zaak, wordt hij op studiereis gestuurd naar Amerika om te zien of er markt is voor het oprichten van een cichorei fabriek. Tijdens het schaatsen ontmoet hij Maud waarvoor hij als een blok valt. Maud is de dochter van een rijke selfmade man die het gebracht heeft tot miljonair die van zijn vrouw ‘uit zaken’ moest en ‘in society’ zodat zijn dochter Maud toegang kreeg tot de huwelijksmarkt voor de rijken. Buysse ervaart dat Amerika het land van de onbegrensde mogelijkheden toch beperkingen heeft.
De roman kwam in 2009 in herdruk uit, verscheen eerder als deel in de bundel 'Tweede Cyriel Buysse omnibus' in 1968. Via ebooks galerij kun je de online versie te lezen.

vrijdag 6 januari 2012

Intekenlijst

"Kennis komt voort uit het leggen van verbanden tussen schijnbaar losstaande feiten, maar hoe kom je aan de afzonderlijke elementen” schrijft Connie Palmen in haar boek Lucifer. Graag wil ik dit uittesten op een oude intekenlijst bij het boek “Albert Neuhuys : zijn leven en zijn kunst” door W. Martin. Aan het begin van de vorige eeuw was het niet ongebruikelijk om bij dure uitgaven de belangstelling te peilen door een intekenlijst. Het is een lijst met willekeurige namen en adressen en het enig gemeenschappelijke is de interesse voor het boek van schilder Neuhuys. Genoeg afzonderlijke elementen maar levert dat ook context en nieuwe kennis op?

De intekenlijst bestaat uit 3 losse vellen. Bovenaan in de kop is er voorgedrukte tekst met de naam van de intekenaar, de titel en de auteur van het boek met vermelding van de prijs. In 1915 zal men de tekst naar de drukker hebben gebracht, het oogt professioneel maar het kostte ook geld. De lijst bestaat uit 3 kolommen: aantal exempl., naam (duidelijk svp) [men had ervaring!] en adres. De kolom aantal exempl. was overbodig want deze is of niet ingevuld of de intekenaar vond 1 exemplaar voldoende. Bij de naam van de intekenaar is op 4 plaatsen op de lijst een stempel gezet. Duidt dit erop dat de lijsten rouleerden langs particulieren en instellingen want het is toch nauwelijks denkbaar dat kopers een stempel meenamen als ze naar de boekhandel gingen? Of bracht de uitgever of een verkoper een bezoek aan de potentiële kopers. Dat laatste zou er voor pleiten dat de tocht dan een logische route zou moeten zijn. Niets is echter minder waar, de route gaat van het centrum in Den Haag, naar Scheveningseweg, terug naar het Lange Voorhout, Loosduinen, Den Haag, Leiden, Den Haag, Breukelen, Amsterdam op diverse adressen, Haarlem, Rotterdam en uiteindelijk weer terug naar Den Haag. De lijsten zijn beschreven met een vul- of kroontjespen of met potlood. De handtekeningen zijn krachtig en groot genoteerd.

Een aantal namen intrigeert zoals H.M. Koningin-Moeder en de schilder W. Maris. Je vraagt je af of je kijkt naar het handschrift van de Koningin-Moeder of naar dat van een dienaar aan het hof. Bij veel intekenaren staat een instelling of bedrijf genoemd. De professionele interesse kwam van bibliothecarissen, secretarissen en penningmeesters van musea maar ook van galeries en kunsthandels. Zo op het oog is het een willekeurige verzameling van namen van instellingen en personen. Vroeger was het een lastige klus om bij deze summiere informatie achtergrondgegevens te vinden. Met de opkomst van internet is dit veranderd, zo kun je grasduinen in oude krantenarchieven, zoeken in de databanken van gemeentearchieven en kun je ook nog eens zoeken op straten en huisnummers in Google map. Namen die weinig zeggen krijgen bij het zoeken wat meer body en soms kunnen ze uitgroeien tot een klein verhaal.

De intekenlijst bestaat uit 3 losse vellen. De intekeningen zijn geclusterd op plaatsnaam. Er is enige redenen om aan te nemen dat de intekening startte in Den Haag omdat dit vel eindigt met het Rijksprentenkabinet te Amsterdam en het 2e volgeschreven vel begint met Amsterdam en eindigt met 2 inschrijvingen uit Haarlem. Het laatste vel is niet volgeschreven en begint met Rotterdamse inschrijvingen.

De eerste naam op de lijst is Frederik Jan Louis Krämer (1850-1928) Hij was hoogleraar en nam om gezondheidsredenen ontslag en accepteerde in 1903 de baan van directeur van het Koninklijk Huisarchief. Hij gaf les aan prinses Wilhelmina, prinses Juliana en prins Hendrik.

Abraham Bredius was onder meer directeur van het Rijksmuseum en het Mauritshuis. Hij raakte in opspraak toen hij het schilderij De Emmaüsgangers aan Johannes Vermeer toeschreef. Hij woonde aan de Prinsengracht 6 ( zie afb. links ) waar na zijn dood het museum Bredius werd gehuisvest. In het museum was de tijdens zijn leven opgebouwde collectie 17e eeuwse kunst te zien. In 1985 moest het museum om financiële redenen sluiten, maakte in 1990 een doorstart en het museum verhuisde naar de Lange Vijverberg 14 waar eerder de hieronder genoemde heer Cremers woonde.

R.A.W.J.J. Cremers (1876-1928) in de Almanak Gotha wordt hij genoemd als Nederlands diplomaat maar hij was vooral kunstverzamelaar van moderne kunst en woonde in het fraaie pand aan de Vijverberg 14 (zie afb. rechts) . Hij bezat een belangrijke collectie Marissen. In 1915 was een deel van zijn verzameling dat onder meer bestond uit werk van de Haagse school in het Haags Gemeentemuseum te zien. Vijf jaar later kwam de catalogus “Tableaux et aquarelles modernes collection Mr. R.A.W.J.J. Cremers la Haye” die door Frederik Muller is uitgegeven. Volgens de bevolkingskaart was hij Doopsgezind en was hij voor een tweede maal gehuwd.

Arie Cornelis Volker (1861-1924) was zoon van Adriaan Volker die samen met zijn broer eigenaar was van het Sliedrechtse aannemersbedrijf A. en D. Volker. Arie was een rasechte ondernemer met visie, hij breidde het familiebedrijf succesvol uit met baggerwerkzaamheden en was samen met zijn neef één van de oprichters van N.V. Electro-Apparaten Fabriek Systeem Coq. Van Arie Volker is bekend dat hij kunst verzamelde. Zijn zwager was de Haagse kunstverzamelaar Hilde Nijland. In 1910 sukkelde Volker met zijn gezondheid, trok hij zich terug uit de zaak en ging hij wonen in Den Haag aan de Oude Scheveningseweg 106 (afb.links). Zijn weduwe verhuisde later naar een mooi pand aan de van Stolkweg 7a de straat waar ook de heer P. Versteeven op nummer 34 woonde.



De heer P. Versteeven (1855-1928) was een telg van de blauwsel en verffabriek Van Duura&Versteeven en commissaris bij van Hillen’s sigarenfabriek . Hij woonde in een fraaie villa (zie afb. rechts) aan de van Stolkweg 34 en had een verzameling moderne schilderkunst onder meer van de gebroeders Maris.

H..G. Wolters penningmeester van de befaamde Pulchri Studio een Haags schildergenootschap die sinds 1901 aan het Lange Voorhout 15 haar domicilie heeft. Op de begrafenis heeft Wolters namens de Pulchri Studio een grafrede gehouden evenals A. Hesselink namens Arti et Amicitiae (zie verderop).

W. Maris (1872-1929) Loosduinen . Het is niet de beroemde schilder Willem Maris die overleed in 1910 maar zijn neef Willem Matthijs (Jbzn), zoon en leerling van Jacob Maris. Hij schilderde, aquarelleerde, tekende en etste landschappen, figuren en veel portretten.

D. de Wild uit Den Haag is waarschijnlijk Derix de Wild (1869-1923) telg uit beroemd geslacht van restaurateurs die het atelier aan de Laan van Meerdervoort 406 van zijn broer Carel voortzette. Derix is de vader van de bekende Martin de Wild eveneens restaurateur. Het was niet ongebruikelijk dat restaurateurs een inponsing in het hout van een spieraam zette (zie afbeelding rechts).

De directeur van het R Prentenkabinet te Leiden (onleesbaar). Het is niet gelukt om de directeursnaam te achterhalen. Het Rijks Kabinet van Prenten was gelegen aan het Rapenburg 17 (zie afb. links) te Leiden.

H.M. Koningin-moeder Emma Waldeck- Pyrmont Den Haag. Opvallend is dat de schrijver eerst konigin heeft willen schrijven maar zich op tijd herstelde en de ingezette staart van de letter g kon aanpassen in een n zodat er koningin kwam te staan. Het paleis aan het Lange Voorhout was haar winterpaleis. Uit krantenverslagen is te achterhalen dat ze van veel kunsttentoonstellingen de opening bijwoonde. De Oranjes bezaten een belangrijke collectie schilderijen die ze bij gelegenheid af stonden voor exposities.

Jonkheer J. Loudon (1866-1955) te Den Haag was diplomaat en minister van Buitenlandse Zaken ten tijde van de ondertekening. Het lijkt of het handschrift bij zijn naam ondertekening van dezelfde hand als die van H.M. Koningin-Moeder.

Het Departement van Binnenlandse Zaken; in die tijd was Pieter Cort van der Linden minister van Binnenlandse Zaken. De ondertekening lijkt meer een paraaf.

Peter Frederik Thomsen (1856-1916) was de zoon van de Deense zeeman/stuwadoor/houthandelaar die in 1873 het havenbedrijf Thomson & Co oprichtte. In 1891 zette Peter na het overlijden van zijn vader het bedrijf voort. Hij was kunstverzamelaar van onder meer Israels, Weissenbruch . In 1916 werd hij voor zijn woning aan de Nieuwe Parklaan 77 (Het Rotterdams Nieuwsblad spreekt over de Badhuisweg) in Scheveningen door een auto geschept en overleed hij op zestig-jarige leeftijd aan zijn verwondingen. In 1932 werd zijn collectie kunst en meubilair geveild.

Michiel Onnes van Nijenrode (1878-1972) werd schatrijk met de koffiehandel ten tijde van WO I. Hij kocht in 1907 de ruïne van het middeleeuwse kasteel Nijenrode en liet het restaureren voor 1.250.000 gulden en in de staat brengen waarin het vandaag de dag nog steeds verkeert. In korte tijd bracht hij een verzameling kunstschatten van topkwaliteit bij elkaar maar hij kreeg financiële problemen. In 1930 verkocht hij het kasteel aan de Joodse kunsthandelaar Jacques Goudstikker onder de voorwaarde dat hij er mocht blijven wonen. In 1932 zet Onnes een diefstal van zijn eigen schilderijen in scene om verzekeringsgeld te kunnen incasseren. Hij zat een jaar in voorarrest en wordt na een geruchtmakende zaak waarbij commissarissen van de Amsterdamse politie op non-actief werden gesteld. Er waren twijfels rondom getuignissen en uiteindelijk wordt Onnes veroordeeld tot de tijd dat hij in voorarrest zat.

Rijksprentenkabinet Amsterdam is ondergebracht in het Rijksmuseum.

Kunsthandel C.M. van Gogh aan het Rokin 115 Amsterdam was gerenommeerd en stond bekend om de vele tentoonstellingen van kunstenaars met naam. Oprichter was de oom van van Vincent van Gogh, Cornelius Marinus. Door zijn neefje werd hij vaak als CM aangeduid. De kunsthandel had een pand aan de Kneuterdijk 16 in Den Haag en één aan de Keizersgracht 453. In 1912 betrok men een pand met zalen aan het Rokin 115. Het was voor korte duur want eind jaren twintig werd het gebouw grotendeels gesloopt en vervangen door nieuwbouw van de Algemeene Friesche Levensverzekerings Maatschappij. Op de foto ontleend aan de Beeldbank te Amsterdam is het gebouw van de verzekeringsmaatschappij, links naast Van Ditmar's Boeken Import te zien.

C.J. van Wisselingh en co, kunsthandelaar had zijn bedrijf aan het Rokin 78/80. De foto (links)dateert van 17 december 1982 en in de weerspiegeling van de ruiten is een stukje straatbeeld uit die jaren te zien. Maar bij goed inzoomen zie je in de linkerruit van de etalage het beroemde schilderij 'Het gele huis" van Carel Willink. Het onderwerp heeft Willink ontleend aan een huis in de Vossiusstraat (nu hotel Piet Hein) en het ziet er nog nagenoeg uit als in die tijd. Op het schilderij is een donkere, dreigende zwarte lucht te zien en je verwacht een klap onweer te horen, op de voorgrond liggen wat verwaaide papieren. Het gele huis rijst strak omhoog en in de ruiten weerspiegelen zich de donkere, naakte takken van een boom. Dit schilderij uit 1934 werd voor de oorlog door Bordewijk beschreven en hij projecteerde sluimerende gevoelens van liefde in het huis en zijn bewoonster. Het verhaal verscheen op 9 december 1939 in de Groene Amsterdammer en is fulltext te lezen in het historisch archief. De schrijver H.J. Smeding zag deze romatiek niet en schreef een eigen verhaaal. Het was aanleiding om een achttal schrijvers van naam te vragen het gele huis te beschrijven. Het boek beleefde in 1978 een herdruk.

M.P. Voûte (1856-1928) koopman was steenrijk. Hij bezat een grachtenpand aan de Herengracht 475 (rechts beneden) dat 'Het huis aan de bocht' wordt genoemd, een stadspaleis dat gezien wordt als een van de mooiste huizen van Amsterdam. In Schaarsbergen bezat Voûte de buitenplaats Groot Warnsborn en in Bennebroek (Vogelenzang) de prachtige villa Casa Nuova . Voûte was een belangrijk kunstverzamenlaar en meacenas die schilderijen schonk of in bruikleen gaf aan musea. Als bestuurslid was hij onder meer verbonden aan de Rembrandtvereniging en het Rijksmuseum. In 1912 spande hij een proces aan tegen Albert Neuhuys omdat hij met van mening verschilde over de prijs van het schilderij dat de schilder van zijn echtgenote maakte.

Johan Caspar Sommer (1859-1937, Roelof Hartstraat 138 te Amsterdam, was officier en getrouwd met Maria Kuller. Albert Neuhuys heeft beide echtelieden geportretteerd. Als commandant leidde Sommer de militaire wielrijders. In 1894 publiceerde hij een 'Handleiding voor den militairen wielrijder'.

Julius Röntgen (1855-1932) pianist, dirigent en componist groeide op in zijn geboortestad Leipzig en trad als muzikaal wonderkind op in de grote Duitse steden. Hij werd voorgesteld aan Franz Liszt voor wie hij één composities ten gehore bracht. Hij was bevriend met Edvard Grieg. Hij was een belangrijk man in het Amsterdamse muziekleven en was betrokken bij de oprichting van het conservatorium en het Concertgebouw. Na zijn pensioen ging hij wonen in de villa Gaudeamus , een ontwerp van zoon Frans in de stijl van de Amsterdamse school maar gemengd met Noorse invloed. Na WO II had in het huis de Stichting Gaudeamus zijn onderkomen en was het een ontmoetingscentrum voor tal van jonge buitelandse en Nederlandse componisten waarvan velen later beroemd zijn gevonden.

A. Hesselink (1862-1930), was een Gronings beeldhouwer die na in Florence en Haarlem te hebben gewoond aan architect J.H.W. Leliman opdrachte gaf een hoekvilla met beeldhouwersatelier aan de Teniersstraat 8 te ontwerpen. In het stadsarchief Amsterdam heb je via de indexen toegang tot de woningkaarten. Zoekend op Teniersstraat 8 krijg je 4 treffers waarvan op 2 kaarten de namen van de families staan die daar gewoond hebben. Eén kaart dateert van voor WO II. De eerste bewoner is H. Abraham. Deze naam is een omzetting van Abraham Hesselink. Curieus zou de ambtenaar van de burgerlijke stand Hesselink verkeerd hebben begrepen toen hij zijn naam opgaf. Deze kaart is interessant omdat het huis veel bekende bewoners heeft gekend. Zo woonde er na Hesselink de bekende kunsthandelaar Jacques Goudstikker die leerling van bij professor Martin. Na Goudstikker woonde professor Walther Illnerer, daarna de familie van der Does de Willebois en de halfbroer van de graficus M.C. Escher de componist Rudolf G. Escher.
Hesselink was vele jaren voorzitter van de Amsterdamse kunstenaarsvereniging 'Arti et Amicitiae'. In het gebouw van de vereniging werd in 1914 een tentoonstelling gehouden waarbij Hesselink een openingswoord hield.

Anton Averkamp (1861-1934) was componist, docent, directeur en woonde aan de Vondelstraat 19 (zie bouwtekening links; 2 woonhuizen 17-19). Hij was mede oprichter van de stichting BUMA die na de auteurswet van 1912 in 1913 werd ingesteld. In het bestuur had hij de functie van secretaris. Hij was korte tijd dirigent, muziekrecensent bij het weekblad 'De Amsterdammer' en auteur van diverse muziekboeken.

Margot van Wulfen (1877-1948) was dochter van de bekende Larense hoofdonderwijzer Jan van Wulfen die na zijn dood vereerd werd met een stenen bank aan de Brink. Margot heeft in 1910 opdracht gegeven tot de bouw van het 'witte'huis op de Brink dat er nog steeds staat (zie foto rechts). Albert Neuhuys heeft van Margot een portret geschilderd. Ze was bevriend met de bloemenschilderes Lucie Wittig-Keijser.

Eduard Brom ( 1862-1935) directeur van een verzekeringskantoor en Rooms Katholiek dichter. Hij was onder de invloed van de beweging van de Tachtig. Hij woonde aan de Vondelstraat 83 en was voorzitter van de katholieke kunstkring 'De Violier'. Een bloemlezing uit zijn werken werd bezorgd door Anton van Duinkerken. Brom was geliefd om zijn aimabiliteit en waarachtigheid. Er ging geen gelegenheid voorbij of hij werd in het zonnetje gezet met een gedicht of een artikel in de krant. De foto links is gepubliceerd ter gelegenheid van zijn zestigste verjaardag.




Baruch Lopes de Leao de Laguna (1864-1943) bekend portretschilder die aanvankelijk in Amsterdam woonde maar vanwege de gezondheid van zijn vrouw naar het Gooi trok en daar op diverse plaatsen woonde onder meer aan de Nieuwe Spiegelstraat 6 Bussum. Laguna was een vriend van Neuhuys en is een belangrijke vertegenwoordiger van de Larense groep. Hij schilderde portretten van Colijn, Philips en Domela Nieuwenhuijs en kreeg van de koningin een gouden medaille uitgereikt.. In de oorlog werd hij opgepakt en getransporteerd naar het kamp Auschwitz waar hij in november 1943 werd vermoord, zijn vrouw Rose trof hetzelfde lot in februari 1944. Eén thuiswonend kind heeft de oorlog overleefd. In het krantenarchief van de Laarder Courant Bel is een interview met hem te lezen.





Mr. G. Vissering (1865-1937) was president van de Nederlandse Bank en lid en ondervoorzitter van de Zuiderzeeraad. Hij stamde uit een Oostfries doopsgezind geslacht en was zoon van de minister van Finaciën Simon Vissering. Hij woonde aan de Keizersgracht 71 (foto links) waar onder meer Cornelis Trip en de Duitse archeoloog Heinrich Schlieman de ontdekker van Troje hebben gewoond.

J. Krol (1848/49-1916) hoofd-administrateur bij de Deli-maatschappij woonde in een vrijstaande villa gebouwd in 1885 in neo-renaissance stijl. De villa gelegen aan de zuidoostzijde van het Florapark 8 in Haarlem, is gebouwd in opdracht van Jan Krol Kzn. Het pand is thans (1993) in gebruik als kantoorruimte. In 1914 schonk hij 113 schilderijen, tekeningen en aquarellen aan de gemeente voor de oprichting van een standbeeld van Frans Hals. Hij moet een bijzonder charitatieve instelling hebebn gehad want ouders die het aan geld ontbrak om hun kind verder te laten studeren en dit aan de krant lieten weten, werden naar hem doorverwezen.

Alfred Rudolph Zimmerman (1869-1939) was burgemeester van Dordrecht en Rotterdam en getrouwd met Henriëtte Maris. Hij geldt als een krachtdadig en autoritair bestuurder, men vegeleek hem wel met een 17e eeuwse regent. Hoewel hij niet partij politiek was, had hij een sterke affiniteit met de ideëen van de Oud-liberalen. Hij beschouwde de elite als de drijvende kracht in de maatschappij en had weinig waardering voor socialisten. Toen in 1919 socialisten in de gemeenteraad zitting namen was het tijd om voor hem te vertrekken. Hij woonde aan de Esschenlaan 46, een straat met villa's maar ook gewone woonhuizen liggend aan de rand van een park.

Jan Hudig (1838-1924) cargodoor, reder en bestuurder. Op betrekkelijk jonge leeftijd verloor hij zijn vader en had hij op 20 jarige leeftijd de zorg voor een aantal bedrijven. Door zijn verstandig inzicht en innemend karakter won hij snel vertrouwen en werd hij al snel gevraagd voor allerlei politieke en maatschappelijke functies. Hij zat jaren in de gemeenteraad en was geknipt voor het ambt als burgemeester maar toen de minster hem vroeg, aanvaardde hij deze benoeming niet maar accepteerde wel toen men hem vroeg als wethouder. Hij woonde aan de Leuvehaven 40 in een huis met een hardstenen gevel dat waarschijnlijk gebouwd is door Jan Giudici, een Italiaanse architect van grote naam die zich vestigde in Rotterdam. Tijdens het bombardement in mei 1940 werden er vele woningen vernield en later gesloopt.

Es G.L.M. van Es (1865-1949) tabakshandelaar, voorzitter van de Rotterdamse vereniging Toonkunst, consul voor een aantal landen en kunstverzamelaar. Hij was rijk en ondernemend, kocht woeste gronden op in Drenthe zoals het 650 ha grote Mandeveld om deze te ontginnen. In juni 1923 houdt de firma Frederik Muller & Co een veiling van moderne schilderijen en aquarellen uit de collectie G. L. M. van Es en uit ander particulier bezit; werken van Bauer, Breitner, De Bock, Dupont, Van ' Gogh, Hart, Nibbrig, Is. Israëls. J. en W. Maris, Mauve, De Moor, Poggenbeek, Rink, Toorop, Verster, Weissenbruch, Wiggers, Witsen, De Zwart, Alma Adema, Neuhuys, B. C. Koekkoek en nog vele anderen. Hij woonde aan het Westplein 11 te Rotterdam, nu een rijksmonument gebouwd in rijke neo-Renaissance stijl en ontworpen door architect T.L. Kanters.

Mr. A.L.C. Kleyn (1850?-1921?), advocaat/notaris in Nederlands-Indië, woont vanaf eind 19e eeuw in Den Haag. Hij is getrouwd met Carolina Eschauzier. Samen met zijn zwager (of neef) heeft hij aanzienlijke belangen in Indische fondsen en Cultuurmaatschappijen. Van zijn zwager die in 1931 gestikt wordt doordat kidnappers hem een doek met chloroform onder de neus houden en die in kist wordt teruggevonden in een pakhuis, wordt gezegd dat hij minstens miljonair was. Kleyn was verzamelaar en bouwde een aanzienlijke collectie moderne kunst op met onder meer een Neuhuys. Aan het Ethnografisch Museum in Leiden schonk hij een bundel Japanse prenten rondom het thema de Japans-Russische oorlog. De familie Kleyn woonde aan de Laan van Copes van Cattenburch nr. 54 (rechts naast de brandweerwagen).

Misschien is het niet zo verbazingwekkend dat over bijna alle personen en hun woningen informatie te vinden is. Ze behoren bij de maatschappelijke en culturele elite en woonden in prachtige huizen die in de loop der tijd veelal onder een ‘beschermende’ Rijksmonumentenwet vielen zodat er veel gespaard is gebleven.
Ondanks de mooie handschriften zijn niet alle namen op de intekenlijst goed te lezen. Met wat puzzelwerk en ‘lucky guesses’ blijft er slechts een intekenaar over wiens identiteit niet is te achterhalen (arch. J.G.F. Hobbemastraat 5??). Het zoekwerk was spannend en best wel sexy omdat het een inkijkje biedt in het leven van BN’ers van honderd jaar geleden. De Historische krantenbank van de Koninklijke Bibliotheek is daarbij een belangrijke bron met aan de ene kant nieuwsfeiten over een gefingeerde inbraak met ‘corrupte’ politiecommissarissen die op non-actief worden gesteld tot de advertentie oproep om te solliciteren naar de baan van 3e dienstmeisje met als enige taak het opdienen van de maaltijden.
Veel bekende personen op de lijst zijn terug te vinden in Wikipedia dat een (redelijk) volledig beeld geeft over een persoon. Voor aanvullende informatie is gezocht in lokale/regionale kranten, stadsarchieven, de burgerlijke stand en de archieven van Elseviers Maandschrift en de Groene Amsterdammer. In Google maps is gecheckt of de adressen kloppen, de huizen er nog staan en in voorkomende gevallen zijn aan Streetview afbeeldingen ontleend. Het was leuk om te doen, het heeft iets weg van schatgraven als je op een authentieke bevolkingskaart stuit met de doorgehaalde namen van eerdere bewoners, of via Funda.nl een kijkje neemt in de woning van de bemiddelde Eduard Brom en een visuele rondgang maakt langs de vele oorspronkelijke bouwelementen van zijn prachtige woning, of verslagen leest over de mysterieuze moord op Eschauzier, of Willinks bekende schilderij het Gele huis herkent in de etalage van een kunsthandel of….

Maar levert deze zoektocht iets extra’s op? Geeft het kennis? Op de lijst domineren de mensen die vakmatig of commercieel geïnteresseerd zijn. Het zijn handelaren, kunstenaars en (kunst)verzamelaars en geportretteerden allen bezig met een doel het kopen en verzamelen van schilderijen. Veel van de intekenaars bezaten een Neuhuys. Bij de zoektocht stuitte ik in de laatste fase op een artikel van 28 mei 1914 uit het Nieuws van den Dag waarin Abraham Hesselink een toespraak houdt bij de tentoonstelling Albert Neuhuys die kort na zijn dood is gehouden. Tijdens deze bijeenkomst zullen de eigenaren van schilderijen die een schilderij tijdelijk voor de expositie afstonden ongetwijfeld zijn uitgenodigd. Het is een heel logische gedachte om bij deze groep van belangstellenden een intekenlijst te leggen voor een boek dat op het punt staat uit te komen. Zogezegd smeden wanneer het ijzer heet is. Het zou veel verklaren maar niet de clustering van plaatsnamen want dan die zou dan veel willekeuriger moeten zijn. Eerst vraag ik het boek van W. Martin aan bij de SAB om te verifiëren wie de eigenaren zijn van de schilderijen.




















Meer informatie volgt later

woensdag 4 januari 2012

Uit een goed nest

Tussen 1986 en 1987 interviewde Jojanneke Claassen voor het damesblad Libelle kinderen van bekende Nederlanders. Dat sloeg aan en er volgden meer dan zeventig vraaggesprekken. In 1988 kreeg deze succesvolle rubriek een vervolg door de interviews te bundelen in een boek met de titel “Uit een goed nest”.
Eerder had Claassen voor de Libelle de rubriek ‘De Foto’ waar ze aan de hand van een jeugdfoto sprak met bekende Nederlanders als Simon Carmiggelt en Hugo Claus. Interviewen was zeker in het begin van haar carrière haar ding. Zo interviewde ze al in 1969 David Bowie tijdens een bezoek aan Nederland voor het Parool en dineerde ze samen met hem en een aantal andere gasten. Jojanneke Claassen was niet alleen interviewer, maar ook redacteur en schrijver van boeken. Zo is ze mede-auteur van bekende soapseries als ‘Goede tijden, slechte tijden’ en ‘Medisch Centrum West'.
De gesprekken in “Uit een goed nest” zijn enigszins gedateerd. Het was nog in de tijd dat het publiek geen toegang had tot internet en er geen digitale sociale media waren maar wel was er een dienstplicht voor jongens.
De interviewster is er niet op uit om via de kinderen weetjes over hun bekende ouders te weten te komen. Ze lijkt dat eerder te willen vermijden, het gaat haar vooral om het verhaal, het leven dat de kinderen leiden, hun drijfveren en hun toekomstplannen. Het zijn leuke interviews, openhartig en als de kinderen falen dan zijn ze meestal zo eerlijk de hand in eigen boezem te steken. Bijna zonder uitzondering laten ze zich niet voorstaan op hun beroemde vader of moeder en voor een aantal is het zelfs een handicap omdat ze gepest werden en ‘anders zijn dan de anderen’. Wat je zou verwachten van deze kinderen is dat ze een goede start maken voor een belangrijke carriere maken maar soms lijkt het tegendeel het geval en hebben ze moeite met leren, de school en discipline. Veel van deze kinderen gaan dan ook niet direct naar het VWO maar volgen eerst de Mavo als springplank naar een hogere opleiding. Ze hebben een voorkeur voor creatieve beroepen bij het toneel,het theater of bij het medium televisie. En bij enkele van deze dochters en zonen is dat goed gelukt en zijn ze nu zelf min of meer bekende Nederlander zoals Andrea Kruis (striptekenaar), Jeroen Oerlemans (fotograaf), Boukje Keulen (ex-schaatser), Martijn Krabbé (presentator), Benjamin Landshoff (regisseur), Gert van Hanegem (voormalig profvoetballer), Caya de Groot (actrice) en …. Ach lees zelf want het boek “‘Uit een goed nest’” leest heerlijk vlot weg.

maandag 12 december 2011

Huub Beurskens (1950-)

“Toen mijn eerste vrouw me vertelde dat ze er een vriend op na hield en toen ze al gauw daarna vier dagen en nachten met hem in een pension in en bosrijke omgeving ging doorbrengen, ben ik naar Brussel gereisd. Toen mijn tweede vrouw een week geleden iets soortgelijks vertelde en deed, wilde ik niet dezelfde fout maken en ben naar Parijs gereisd. “

Met deze zinnen opent Huub Beurskens het verhaal ‘Belgrado’ uit zijn bundel “Badhok”waarbij ik onwillekeurig in de lach schoot. Maar misschien is het bittere ernst want in zijn novelle “Noordzeepalmen” gaat de hoofdfiguur nadat zijn eerste vrouw hem verlaten heeft naar Brussel om in een hotelkamer te verblijven. Dat boek is onthullend omdat hij als leraar een relatie begint met een leerlinge van 13 jaar. Beurskens die op dat moment zelf docent was, was verrast door de reacties van zijn collega’s die het Lolita motief een interessant thema vonden. In een interview met “Hans van de Waarsenburg” zegt Beurskens hierover: ‘Als ze dat lezen’, dacht ik, ‘slikken ze het niet’. Niks hoor, ze slikken alles, terwijl als dit boek in werkelijkheid door mij zou zijn utgevoerd, dan zou ik mijn baan zijn kwijtgeraakt en nooit meer een andere gekregen hebben. Het is duidelijk Beurskens schuwt geen taboes.

Ik kende de schrijver slechts van naam en had nog nooit wat van hem gelezen. Iets dat na het lezen van de bundel Badhok verandering in gaat komen. Ik was verrast door deze verhalen waar alle logica uit verdwenen lijkt te zijn, een herkenbare wereld dat wel maar één met absurde wendingen waardoor een verhaal kantelt in nieuwe werkelijkheden waar ik als lezer volkomen in meega.

Het titelverhaal Badhok gaat anders dan doet vermoeden niet over zwemmen maar over een Roemeense vluchteling die door de dorpelingen Badhok wordt genoemd omdat ze uit zijn gebrabbel alleen dat woord kunnen verstaan. Badhok wordt door nonnen verborgen gehouden in een klooster, heeft een prachtig lijf maar een ondraaglijke stank van kippenstront draagt hij met zich mee. Maar net zoals in het verhaal “De neus” van Gogol heeft hij geen neus maar een afgrijslijke holte gat in zijn gezicht. Badhok weet te ontsnappen en als ‘hobo ‘ reist hij in goederenwagons naar Rome. Daar wil hij als heilige eindigen en besluit van de koepel van de Sint Pieter naar beneden te zweven als engel. Maar de werkelijkheid is anders, hij stort naar beneden en slaat te pletter op de grond waar alleen zijn stank blijft hangen.
In het verhaal “De wrede liefde van Rita Polanen” wil een trouwlustige slager zijn toekomstige gade verleiden door zelf dieren op te zetten die door hun aaibaarheid op vrouwen een onweerstaanbare drang oproepen en ze daarmee verleiden met hem in het huwelijksbed te stappen.
Veel van de verhalen in deze bundel hebben iets lichamelijks zoals de man die met zijn groot scrotum ter grootte van rugby ballen, de risee is van het dorp, deze gemeenschap ontvlucht en op zijn reis een vrouw die met haar liefde zijn scrotum tot normale proporties terugbrengt. Inmiddels in goeden doen, met een beeldschone sexy vrouw en twee prachtige dochtertjes bezoekt hij in zijn sportwagen het dorp waar hij geboren is.
In het verhaal ‘De laatste nacht’ blijft de zoon van een beddenfabrikant op schoolstage een nacht weg. De volgende dag vindt men hem in een schuur, de zoon blijkt langzaam te verworden tot een stier. Op vakantie nemen zijn ouders hem mee naar Spanje om hem als stier te laten optreden in een arena.

De literaire vorm die Beurskens in dit boek hanteert is de stijl van het Groteske, een genre dat teruggaat tot de 14e eeuw. Grotesk betekent letterlijk ‘grot’ afgeleid van het Italiaanse woord Grotteschi. In de 1e eeuw liet de wrede Romeinse keizer zijn Domus Aurea (Gouden Huis) bouwen met prachtige symmetrische muurschilderingen van een aaneenschakeling van menselijke figuren, dieren, vogels, bloemmotieven die in een fantastische opeenstapeling met elkaar verbonden zijn. Keizers na Nero lieten uit afschuw om zijn wreedheden Nero’s domus volstorten met puin maar sommige zalen bleven intact en men bouwde op de restanten nieuwe gebouwen. In de Renaissance herontdekten kunstenaars deze zalen, daalden met gevaar voor eigen leven af naar beneden en gebruikte de afbeeldingen als inspiratie voor hun nieuwe kunst.
Het literaire genre is hiernaar vernoemd. In Nederland is deze vorm niet veel gebruikt en enkele schrijvers als Belcampo, Fritzi Harmsen van Beek en Hans Koekoek worden als beoefenaars van het genre gezien.

Huub Beurskens hoort niet thuis in deze blog maar zijn bundel Badhok verdient ruim twintig jaar na publicatie nog alle aandacht.

zondag 27 november 2011

Willy Corsari (1897-1998)

Dit weekend ontvingen de Volkskrant lezers een gratis dvd van de eerste aflevering van de Scandinavische detective serie The Bridge. Een lijk gevonden op de brug tussen Denemarken en Zweden is het begin van een reeks spannende gebeurtenissen. Het lijk blijkt in tweeën te zijn gesneden en de delen zijn afkomstig van twee verschillende personen. De bovenste helft behoort toe aan de voorzitter van de gemeenteraadsfractie en als motief wordt genoemd de invoer van leengeld dat de voorzitter de plaatselijke openbare bibliotheek wilde opleggen. Het is te hopen dat de Stichting Leenrecht in Nederland in de zaak leenrechtvergoedingen deze kwestie minder hoog opneemt en het bij een rechtszaak laat.

Scandinavische thrillers scoren hoog bij het Nederlands publiek. Eens was de situatie omgekeerd en werd een Nederlandse detective schrijfster in Denemarken als een filmster onthaald, bestormd door fotografen en cameramensen, handtekensessies werden bezocht door duizenden mensen en haar onderkomen in de Koninklijke suite van een hotel leek op een “oerwoud van bloemen”. Deze eer viel Wilhelmina Angela Scmidt beter bekend als Willy Corsari te beurt voor haar detectives. Ze is in 1897 geboren in het Brusselse voorstadje Saint-Pierre-Jettte en was in de vorige eeuw een van de populairste en productiefste schrijfsters van Nederland. Haar vader was diamantbewerker en ambieerde een artistieke carrière als beeldhouwer en als operazanger wat niet geheel lukte.

Willy werd naar de toneelschool in Amsterdam gestuurd, kreeg zanglessen in Berlijn en trad toe tot het cabaret van Jean Louis Pisuisse en werkte samen met de grote namen uit die tijd als Cor Ruys, Fien de la Mar, Pisuisse en het echtpaar Speenhoff.
Ze was succesvol en later toen ze alleen optrad, ging ze liedjes voor zichzelf schrijven omdat die volgens haar beter bij haar pasten. Het waren kleine verhaaltjes over liefdes en haar leven als artiest. In 1972 ter gelegenheid van haar vijfenzeventigste verjaardag werd de plaat ‘Liedjes in de schemering’ uitgebracht, gezongen door bekende zangeressen uit die tijd (voor groting, klik op de e foto). Stukjes van de liedjes zijn te beluisteren op de site van Fonos.

Na een mislukt huwelijk met een saaie notaris, hertrouwde ze de Telegraafjournalist H.W.C. Douwes en met hem schreef ze in 1927 haar eerste detective “Misdaad zonder fouten”. In de dertiger jaren leefde ze enige tijd samen met Jan Campert, de vader van Remco met wie ze samen het boek ‘Klokslag Twaalf’ schreef. Haar grootste succes was het Mysterie van de Monscheinsonate het boek waarin de bekende inspecteur Lund debuteert. Onlangs heb ik deze detective na vele jaren herlezen en ik moet zeggen het boeide opnieuw, het heeft vaart en heeft door de jaren heen nog weinig aan kracht ingeboet. Het boek is in 1935 verfilmd en is onlangs op DVD uitgekomen. In een interview met Henk van der Meijden zegt Willy Corsari dat moord en suspense vanaf haar vroege jeugd haar vergezelde. Op jonge leeftijd vernam ze bij stukjes en beetjes dat haar lichtzinnige tante Corrie door een jaloerse minnaar was vermoord. Bij de geruchtmakende moord op het echtpaar Pisuisse en de zelfmoord van de schutter kenden ze de hoofdpersonen van nabij. Op de toneelschool verloor ze haar jeugdvriendin die overleed aan een bloedvergiftiging die ze bij een abortus opliep. Haar man overleed op jonge leeftijd aan een nierziekte. Wie weet misschien was het schrijven een aanleiding om met deze tegenslagen te kunnen omgaan. Zelf behoort Willy Corsari tot een van de oudste schrijfsters van Nederland en is ze honderd jaar geworden.

zondag 6 november 2011

Theun de Vries (1907-2005)

Van Hans Krol [HK], verwoed verzamelaar van alles wat met bibliotheken te maken heeft, ontving HetVergetenBoek een uitgebreide beschrijving over Theun de Vries die in zijn jonge jaren directeur van de bibliotheek Sneek is geweest. Dit ter aanvulling van de post 'Help Mee'van 16 februari 2011.

Theun de Vries (1907-2005) romanschrijver.
Werkte van 1929 tot 1936 als assistent bij de openbare leeszaal van Sneek na het assistentsdiploma in 1929 in Utrecht te hebben behaald. Omdat ik over het stamboek van de Sneekse bibliotheek beschik uit de periode dat Theun de Vries daar werkzaam was ga ik [HK]wat dieper op diens bibliotheekloopbaan in. Dr. Overdiep, zijn leraar Nederlands raadde Theun de Vries in 1927 aan middelbaar Nederlands te gaan studeren. Omdat vooral het linguïstische onderdeel hem tegen stond zag hij hiervan af. Volgens Overdiep bleef in dat geval voor zijn persoon nog maar één ding over: het volgen van een bibliotheekopleiding. Als leerling ging hij toen stage lopen bij de openbare leeszaal in Apeldoorn. “Daar heb ik de grondbeginselen van het bibliotheekvak geleerd.” Vervolgens genoot hij het voorrecht om zijn volgende stage te volgen aan de openbare leeszaal in Hilversum, welke instelling in die tijd landelijk een goede naam had. “Veel van deze ‘Gooiers’ [intellectuelen en kunstenaars] bezochten de bibliotheek, die op literatuurgebied werkelijk een schatkamer was. Overigens ben ik daar voor het eerst en heel uitgebreid in aanraking gekomen met de jonge Sovjet-literatuur.” In 1929 solliciteerde De Vries naar een functie als tijdelijk assistent bij de openbare leeszaal van Sneek en werd hij aangenomen en even later werd hij vanwege een nieuwe vacature in vaste dienst aangesteld. In 1930 vroeg hij het bestuur studieverlof aan voor het volgen van de directeurscursus in Den Haag. Blijkens een bericht in ‘Bibliotheekleven’ van 1931, blz. 134, is aan T.U. de Vries te Sneek als enige man
het directeursdiploma uitgereikt evenals aan 11 dames.
Dat diploma werd gehaald, maar dr. P.C.Molhuysen, directeur van de Koninklijke Bibliotheek en inspecteur van het openbaar bibliotheekwezen was verre van enthousiast, gelet op diens uitspraak “U bent dichter en dichters zijn incapabel voor zakelijke dingen. Wij achten u volledig ongeschikt om ooit directeur van een bibliotheek te worden. Gaat u maar naar Sneek terug, want daar zult u niet te veel schade kunnen aanrechten.” Theun de Vries voegde daar in een gesprek met Hans van de Waarsenburg aan toe: “Intussen bleek ik een heel goede bibliothecaris te zijn; ik heb tussen 1932 en 1934 bijvoorbeeld de hele bibliotheek in Sneek opnieuw gecatalogiseerd. Overigens was mijn opleiding in Den Haag voor mij een lichtpunt, want zo kon ik een jaar weg uit Sneek. Ik was trouwens de enige man die deze directeurscursus volgde, de rest van het gezelschap bestond uit meisjes, die uit alle delen van het land afkomstig waren. Ze behandelden mij erg collegiaal en voor hun lieve toenaderingen werd ik behoed door het feit dat ik in Apeldoorn Aafje Maria Vernes had, mijn meisje. Zij was voor mij het beschermende denkbeeld en een hele grote troost. Toen ik in Sneek terugkwam, was zij de enige bij wie ik heul en soelaas kon vinden.”
18 juli 1931 vroeg Theun de Vries bij het bestuur eervol ontslag aan wegens gezondheidsredenen. Echter op 26 augustus trok hij zijn ontslagaanvrage in omdat zijn ouders zich zeer tegen zijn terugkeer in het ouderlijk huis te Apeldoorn hadden verzet. Tevens verzocht hij goedkeuring voor het feit dat hij tijdelijk zijn intrek had genomen ten huize van de conciërge der Leeszaal. Het bibliotheekbestuur stemde in met een en ander.
Op 24 augustus 1931 is het volgende familiebericht geplaatst in de krant Handelsblad:

Van 1924 tot 1931 was A.H. de Vries directeur van de openbare leeszaal, in 1933 opgevolgd door mej. G.Y.Vonk.
Op 1 augustus 1933 verzocht Theun de Vries schriftelijk aan het bestuur verlof om een congres van schrijvers gedurende een maand van half september tot half oktober in Moskou bij te wonen. “De bedoeling is, het Nederlandsche schrijvers mogelijk te maken, zich persoonlijk op de hoogte te stellen van de toestand in Rusland, eventueel met het doel daarover te schrijven.” In een bestuursvergadering van 14 augustus ontstond hierover een brede discussie en De Vries legde uit dat het om een ‘internationaal schrijverscollectief’ gaat van revolutionaire auteurs, niet allemaal zuivere communisten. Hij verklaarde verder desgevraagd dat bijwoning weliswaar geen voordeel zou hebben voor de Sneekse leeszaal. Hierna bleek het bestuur verdeeld, maar dankzij de voorzitter werd in meerderheid met het verzoek ingestemd. Voor de secretaris was dat aanleiding te bedanken als bestuurslid omdat “hij niet wil meewerken aan het propagandistisch streven van de Sovjet regering.” Uiteindelijk is door De Vries afgezien van zijn reis naar Moskou. Aan de directrice had hij vooraf medegedeeld liever niet te zullen gaan wanneer geen beslissing met eenparigheid kon worden genomen.
In 1934 ontving De Vries van Maxim Gorki een persoonlijke uitnodiging een congres van Sovjet schrijvers bij te wonen, maar omdat anders zijn functie in Sneek in het gedrang zou komen zag hij ook daarvan af.
In eerder genoemd stamboek van de bibliotheek is de roman ‘Stiefmoeder aarde’ uit 1936 als het 29.008ste boek ingeschreven, bij de boekhandel aangeschaft voor ƒ 3.90. Publicatie hiervan gaf aanleiding tot de zoveelste botsing tussen Theun de Vries en het leeszaalbestuur en de schrijver nam, zoals hij later schreef, opgelucht afscheid van “het miserabel kleinestadsbestaan” om vervolgens in Amsterdam te worden van het communistische partijorgaan ‘De Tribune’. Eenmaal woonachtig in de hoofdstad zijn nog verscheidene schenkingen van Theun de Vries in het bibliotheekbezit opgenomen, allemaal met een duidelijk politieke signatuur, zoals ‘Lenin’ door J.W.Stalin, ‘Grondslagen van het tweede vijfjarenplan’, ‘Het communistisch manifest’(Karl Marx en Friedrich Engels). Het aanschafbeleid van Sneek kan men allesbehalve eenzijdigheid verwijten. Veel letterkunde en allerlei ontwikkelingsboeken waarop niets valt af te dingen. Ook ‘Mein Kampf’ van Adolf Hitler, naast stichtende werken van of over figuren als Tagore, Krishnamurti, Gandhi, Schweitzer, Buskes, Einstein en paus Pius XI.
Boeken als ‘Doctor José droomt vergeefs’ (1933) en ‘Eroica’ (1934) zijn als ‘geschenk’[van de auteur en assistent bibliothecaris] genoteerd,
In 1936 diende Theun de Vries zijn ontslag in. Het jaarverslag maakte hier melding van met de volgende woorden. “Na 7 jaar als assistent aan de Leeszaal verbonden te zijn geweest, vertrok de heer de Vries half januari naar Amsterdam. Als een vlug en voortvarend werker heeft hij veel voor de Leeszaal gedaan, terwijl van zijn uitgebreide boekenkennis menigeen heeft kunnen profiteren.” Een half jaar later stuurde hij nog een bedankbriefje aan het bestuur.
Over Theun de Vries is in maart 2011 het eerste deel van een uitvoerige biografie verschenen van Jan van Galen: Theun de Vries – Een schrijversleven. 1907-1945. Uitgeverij Aspekt. Voorts kwam in 2010 een fraaie boekuitgave uit door Albert H.Pasma: 100 jaar bibliotheek Sneek, waarin uiteraard Theun de Vries ter sprake komt evenals o.a. het belangrijke bestuurswerk van dr. L.Hertzberger van 1910 tot 1922.
In 1993 sprak ik [HK] de schrijver in de openbare bibliotheek van Heemstede toen Felix Rottenberg hem het eerste exemplaar overhandigde van een boek door de toentertijd in Heemstede woonachtige Ruud Vreeman: De factor arbeid: werkende mensen in de letteren.
Theun de Vries sprak toen met veel nostalgie over zijn jaren als bibliothecaris in Sneek.