donderdag 24 februari 2011

Nelia Gardner White (1896-1957)

Nelia Gardner White was een succesvol en populair auteur. Ze was een van de vijf kinderen van een methodistische predikant. Thuis hadden ze het niet breed maar belangrijker was dat ze opgroeide in een warm nest waar plaats was voor vrienden, boeken en plezier. Van 1911 tot 1913 volgde ze colleges aan de Syracuse University Vijftig jaar later studeerde de Velvet Underground voorman Lou Reed aan dezelfde universiteit. De voormalige studenten ontvingen beiden de George Arents Pioneer medaille een jaarlijkse prijs waarmee afgestudeerde studenten worden geëerd die uitblinken op hun terrein, zij in 1949 en Lou in 2007. In het jaar erna won Nelia 8.000 dollar met de Westminster Press Fiction Contest met haar roman “No trumpet before him”. Na haar universitaire studie bezocht ze de Emma Willard Kindergarten School en werd kleuterleidster. Ze trouwde met een advocaat en het gezin kreeg twee kinderen.
Ze begon haar schrijfcarrière met het schrijven van verhalen voor kleuters en via verhalen voor de oudere jeugd legde ze zich toe op het schrijven romans. Ze schreef honderden verhalen en novellen die veelal in tijdschriften verschenen. In 1954 publiceerde de Nieuwe Leidsche Courant haar boek : "Voor hem geen bazuinen" in feuilleton.
Twee speelfilms zijn gebaseerd op een verhaal en een roman van haar: in 1946 Sentimental Journey en in 1958 The Gift of Love met in de hoofdrol Lauren Bacall. Het gelijknamige boek van de laatste film wordt door critici geprezen omdat het boek krachtig en realistisch is met zelfs verontrustende elementen. Dat kan van de overige boeken van White niet worden gezegd, ze waren een tikkeltje aan de brave kant en voorspelbaar. Dat past bij het beeld dat een buurtgenoot van haar gaf, "een leuke vrouw maar wel wat lang van stof". Maar de ‘ervaren groep van vooral lezeressen’ deerde dit niet en wisten raad met haar boeken. Haar boeken werd in vele talen vertaald en in het Nederlands verschenen 11 boeken in vertaling. In 1957 stierf ze op 62-jarige leeftijd en in de krant werd slechts een enkele zin aan haar gewijd.

Van Nelia Gardner White zijn nauwelijks afbeeldingen te vinden op internet. De hier gepubliceerde foto (voor vergroting op foto klikken) is van Leja Gorska, een gevierd en professioneel fotograaf die woonde en werkte in New York.
Voor foto's van Nelia Gardner White of meer informatie over de fotografe Leja Gorska houden we ons aanbevolen.

woensdag 16 februari 2011

Help mee!

Ditmaal geen vergeten boek maar een vergeten thema. Het is opvallend dat een flink aantal Vlaamse schrijvers van beroep bibliothecaris is geweest. Is hier sprake van toeval? Of was het bewuste keuze en bood de baan van bibliothecaris door velen beschouwd als een baantje in de luwte misschien geen gelegenheid tot het schrijven dan ieder geval tot lezen. Een beetje bibliothecaris kan toch over een middelgrote collectie van pakweg 100.000 boeken al gauw zeggen: “Ja zeker mevrouw, ik heb ze allemaal gelezen”. Aan de Vlaamse bibliothecaris/schrijver is een aparte post gewijd.

De combinatie van bibliothecaris/schrijver is in Nederland niet onbekend. En soms word je door omstandigheden van het een het ander. Dit overkwam de onderwijzer Jan Nowee in de jaren '30 van de vorige eeuw die in zijn vrije tijd bibliothecaris in een buurtbibliotheek was. Zijn jonge lezers vroegen verrassend vaak naar westerns of cowboy boeken. Maar er was nauwelijks aanbod op de Nederlandse markt. Nowee maakte van de nood een deugd door zelf cowboyboeken te gaan schrijven en met enorm veel succes want uiteindelijk verschenen er van Arendsoog en Witte Veder meer dan vijftig boeken.

Van Jos Anthierens is het citaat: "Een bibliothecaris is een boekhouder". Dit verklaart de voorliefde van de bibliothecaris voor lijstjes en het willen inventariseren. In deze post brengen we een overzicht bij elkaar van schrijvers die ook bibliothecaris zijn geweest. Als je deze post kunt verrijken met een naam of een stukje tekst van iemand die deel uitmaakt van het gilde van schrijvers/bibliothecarissen dan is dit bijzonder welkom. De spelregels zijn eenvoudig, het gaat om schrijvers/bibliothecarissen uit de hele wereld die actief zijn geweest in letterkunde en die bellettrische uitgaven hebben laten verschijnen zoals dichtbundels, toneelwerken, novellen, romans enz. en die in het bibliotheekvak werkzaam zijn geweest als directeur, bibliothecaris, medewerker of...

Maanden na het verschijnen van deze post, ontving ik een reactie van Hans Krol [HK], die ooit directeur was van de bibliotheek Heemstede en letterlijk alles verzamelt wat met bibliotheken te maken heeft en of dat al niet genoeg is, er ook nog eens heel veel over weet. Hij liet weten dat hij al vier decennia wereldwijd documentatie verzamelt over zo'n 2.000 prominente personen (staatslieden, letterkundigen, natuurwetenschappers, beeldend kunstenaars, componisten, pausen etc.) die tevens enige tijd in dienst waren van een bibliotheek of archiefinstelling. Van Hans ontving ik ook de ansichtkaart van een gehurkte Maarten Biesheuvel voor de catalogusbakken in het Vredespaleis geschilderd door Charlotte Mutsaers.

Overzicht van Nederlandse schrijvers/bibliothecarissen:

Gerrit Achterberg (1905-1962) wordt gezien als een van de grootste Nederlandse dichters van de 20e eeuw. In Utrecht waar hij op kamers woonde, vermoordde hij zijn 40-jarige hospita en verwondde hij haar dochter Beppie. Hij werd opgesloten in het Rijkasyls voor Psychopathen ‘Veldzicht’ in Balkbrug (gemeente Avereest) waar hij van 1938 (tot 1941) werd belast met het beheer van de bibliotheek. [HK]


Aegidius Albertinus (1560-1620). Schrijver/vertaler die in Deventer is geboren die o.a. de Spaanse schelmenroman in Duitsland introduceerde en de auteur is van de schelmenroman Der Landstörtzer Gusman von Alfarache oder Picaro genannt. Van 1601-1606 is hij in dienst als bibliothecaris aan het hof van Maximiliaan I, keurvorst van Beieren in München. [HK]




Arnoldus Arlenius Peraxylus (1510-1582) (geb. als Arnout van Eyndhouts), humanist, dichter, corrector en wijsgeer, was vanaf 1538 tot 1546 bibliothecaris van de Spaanse ambassadeur Diego Hurtado de Mendoza in Italië (Rome en Venetië). Hij ontdekte nieuwe teksten in o.a. Frankfurt en Florence en liet oude documenten vertalen. Van Eyndhouts catalogiseerde de Griekse manuscripten van Mendoza’s aanzienlijke boekerij. [HK]

Adriaan Beelo (1798-1878), dichter, was onderbibliothecaris bij de Koninklijke Bibliotheek van 1824-1828. Hij schreef blijspelen en gedichten. [HK]







Ger Beukenkamp (1946). Toneel- en scenarioschrijver. Werkte omstreeks 1980 een aantal jaren als magazijnmedewerker bij de Stadsbibliotheek Haarlem. In later tijd heeft hij daar nog enkele jaren enkel op zaterdag gewerkt. [HK]







Maarten Biesheuvel (1939) studeerde rechten in Leiden en debuteerde in 1972 met de bundel In de bovenkooi waarmee hij direct naam maakte. Hij wordt geroemd als verhalenverteller om zijn absurditeit, humor, fantasie, surrealistische kijk en zijn openheid over zijn psychiatrisch verleden. Samen met zijn vrouw Eva volgde hij begin jaren '70 de post-doctorale studie Bibliotheekwetenschap en werd later bibliothecaris in het Vredespaleis te Den Haag. Hij ontving in 2007 de PC Hooftprijs.




Willem Bilderijk (1756-1831) was van 1815-1817 bibliothecaris van het Koninklijk Instituut van Wetenschappen, Letteren en Schoone Kunsten [= huidige Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen], een sinecure. Dat gold eerder toen hij, januari 1807, door koning Lodewijk Napoleon werd benoemd als functionaris bij de het jaar daarvoor opgerichte Koninklijke Bibliotheek, een voortzetting van de in 1798 gestichte Nationale Bibliotheek. Als bibliothecaris – vrij zeker ook van de particuliere bibliotheek van Lodewijk Napoleon stelde Bilderdijk een onderzoek in naar de privéboekerij van mr. Joost Romswinckel te Leiden, die uiteindelijk voor 50.000 gulden is aangekocht voor de nieuwe K.B. Bilderdijk klaagde al spoedig steen en been, want hij kon de nare boekenlucht niet verdragen en gaf in brieven toe dat hij niet deugde voor bibliotheekwerk. Nog voor het eind van dat jaar is hij door de koning “van zijn drukkenden last bevrijd.” [HK]

Jelle Hendrik Brouwer (1900-1981). Dichter en o.a. hoogleraar Friese taal- en letterkunde en Gotisch te Groningen. Was van 1921 tot 1941 als bibliotheekambtenaar verbonden aan de Provinciale Bibliotheek van Friesland en (klassieke) Bumabibliotheek te Leeuwarden. In 1979 kreeg hij de Ossianprijs uitgereikt voor zijn verdiensten voor het versterken en het behouden van de Friese taal. [HK]





Cees Buddingh' (1918-1985). Als jongeman leek hem de hele dag tussen boeken in een bibliotheek werken en in 1940 droomde hij zelfs van een toekomstige baan als leeszaaldirecteur. Aan F.Auwera vertelde Buddingh: “Na een goed half jaartje gingen al die in bruin papier gekafte ruggen zo benauwen, dat ik de leeszaal weer ontvluchtte en pogingen deed om, o.a. samen met Max Dendermonde, een ‘echte schrijver’ te worden. Later zou de schrijver-dichter een sonnet schrijven, waarvan de eerste en laatste [actuele] strofe luiden:
“’t Kan Dordt zomin zonder haar leeszaal denken
Als zonder Grote Kerk, als z’er geen had
Dan moest de burgerij haar er een schenken
En koesteren als een vrek zijn gouden schat.
(…)
Een leeg fabrieksterrein vult men wel weer gauw,
Maar ’n stad die de cultuur verwaarloost is een
Stad die niet waard is langer mee te tellen.”
[HK]

Jacob Cats (1577-1660), dichter en diplomaat (raadpensionaris). Al voor 1571, toen de stad Dordrecht mr. Pieter Aertsz als bibliothecaris aanstelde beschikte Dordrecht over ten minste drie librijen. Na 1616 zijn de stadsboeken ondergebracht in tot bibliotheek ingerichte Marienbornklooster. Het beheer was een erebaan, voorbehouden aan de pensionaris der stad, bijgestaan door een predikant en leraren der Latijnse School.
In 1626 is Jacob Cats tot beheerder benoemd, formeel tot 1636 Hij wist een budget van 200 gulden per jaar voor de aankoop van nieuwe boeken wist te verwerven. Mede door zijn toedoen en van predikant-stadsbibliothecaris ds. Balthasar Lydius, na 1629 van ds. Johannes Buytendijk, groeide het boekenbezit gestaag.
[Voor informatie, zie: ‘Gedrukt in Dordrecht; vier eeuwen boek en prent’, 1976., hoofdstuk: Het boek in de bibliotheek: de Stadsbibliotheek, p. 29-32]. [HK]

Dirk Coster (1887-1956), letterkundige. Hij kwam als veertienjarige jongen op het kantoor van de Gist- en Spiritusfabriek In Delft. Spoedig werd hij – tot 1904 - bibliothecaris van directeur J.V. van Marken. [HK]









Maria Dermoût (1888-1962) was een Nederlans-Indische schrijfster die op late leeftijd in 1951 debuteerde met de roman ‘Nog pas gisteren’. Haar bekendste werk is ‘De tienduizend dingen’. Vanaf 1919 werkte ze een aantal jaren als bibliothecaresse in de bibliotheek van Semarang, die toentertijd meer dan tienduizend boeken in zijn bezit had. [HK]







Janus Dousa sr. (1545-1604), Jan van der Does. Humanist, dichter, filoloog, geschiedschrijver. Was van 1585 tot 1593 de eerste bibliothecaris van de Universiteit van Leiden. Toen hij in 1593 naar Den Haag vertrok om zijn functie in de Hoge Raad te aanvaarden, legde hij het ambt van bibliothecaris neer en is hij opgevolgd door zijn oudste zoon Janus Dousa jr. (1571-1596), verdienstelijk Neolatijns dichter, die op jonge leeftijd, slechts 25 jaar oud, in Leiden kwam te overlijden. Omdat zoals senaat en rector meenden: “niemant bequaemer hebben bevonden…aengesien zijn groote geschicktheyt ende ervarentheyt in allerhande saecken ende scientien tot het voorsz. ampt van bibliothecaris dienende ende nootwendich wesende.” [HK]

Nico Dijkshoorn (1960) is dichter, schrijver, muzikant en internetcolumnist, en behoeft nauwelijks introductie door zijn optredens als dichter-commentator in de Wereld draait door. Als stukjes schrijver op blogs als Retecool en GeenStijl brak hij korte door. Zijn eerste baan begon hij in de bibliotheek Amstelveen waar hij 15 jaar in allerlei functies gewerkt heeft.


Jos Erdkamp (1958) is een Limburgse auteur van historische, familie- en streekromans. In het dagelijks leven is Erdkamp adviseur/bibliothecaris bij het Bibliotheekhuis Limburg de ondersteuningsorganisatie voor Limburgse bibliotheken. Zijn 4 gepubliceerde romans vertonen een sterke verbondenheid hebben met de Limburgse cultuur en het Limburgse land.







Jacob Geel (1789-1862), letterkundige, filoloog en hoogleraar. Was van 1822 tot 1833 op advies van D.J.van Lennep onderbibliothecaris van de Universiteit in Leiden en als opvolger van J. van Voorst van 1833 tot 1858 eerste bibliothecaris. [HK]








Pieter van Godewijck (1593-1660), Neolatijns en Nederduits dichter, bibliothecaris van de stadsbibliotheek Dordrecht. In 1619 benoemd tot preceptor van de Latijnse School, na 1636 tot zijn overlijden opzichter van de stadsboekerij in het Marienbornerklooster. Op last van Jacob de Witt stelde hij in 1640 de eerste geschreven catalogus samen, die toenmaals 1.021 publicaties telde. Een openbaar karakter verkreeg de bibliotheek pas in 1681. [HK]

Jan Hendrik de Groot (1901- 1990), dichter.
Van 1937 tot 1948 als assistent werkzaam bij de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen in Amsterdam. [HK]










Janus Gruterus (1560-1627), Jan de Gruytere. Klassiek filoloog en dichter. In 1602 benoemd tot bibliothecaris van de Bibliotheca Palatina in Heidelberg, die hij in twee decennia uitbouwde tot een unieke verzameling boeken en handschriften. Na de inname van Heidelberg door Johan van Tilly werd Gruterus verbannen. Sinds 1623 maakt de toenmaals beroemde Paltsbibliotheek deel uit van de Bibliotheca Vaticana in Rome. [HK]




Nicolaas Heinsius (1620-1681), Neolatijns dichter en filoloog. Hij was een zoon van Daniel Heinsius, bibliothecaris van de Universiteit in Leiden. Na de Nederlandse filoloog Issac Vossius was Nicolaas Heinsius vanaf circa 1650 enkele jaren in dienst als bibliothecaris van koningin Christina van Zweden in Stockholm en schafte hij talrijke handschriften vooral uit Italië aan voor de koninklijke bibliotheek. Dr.F.F.Blok wijdde een uitvoerige monografie aan:
‘Nicolaas Heinsius in dienst van Christina van Zweden’. Delft, 1949. [HK]


Sake Helder (1925-1983) dichter. Van 1955 tot 1960 als bibliotheekmedewerker verbonden aan de Technische Hogeschool Delft. Vervolgens tot zijn overlijden directeur van de openbare bibliotheek Haarlemmermeer. [HK]

Cornelis Honigh (Koog aan de Zaan, 29-10-1845 – Zwolle, 4-4-1896)
Honigh heeft zich door zelfstudie opgewerkt tot leraar Nederlands en Duits aan de HBS, na zijn komst uitgebreid met de Rijkslandbouwschool te Wageningen en werd parttime bibliothecaris. Publiceerde twee dichtbundels: Mijn lente (1871) Zijn zoontje Christiaan overleed, nog geen vier jaar oud. Om die reden volgt een dichtbundel onder de titel Geen Zomer (Haarlem 1880). In zijn Wageningse periode verschenen van zijn hand enkele boekjes voor kinderen en verschillende bloemlezingen uit de Nederlandse letterkunde, zoals Van eigen bodem. Leerboek voor lagere en middelbare scholen (Amsterdam 1883), samen met G.J. Vos, en de zesdelige Bloemlezing uit de Nederlandsche Letteren (Groningen 1892-1896), een voltooiing van het werk van G. Penon. Tijdens een studie Zweeds en Noors maakte hij een reis door Scandinavië. Het resulteerde onder meer in de tweedelige Door Noorwegen, Reisschetsen (Groningen 1886-1887). Honigh vertaalde ook uit het Engels, Noors, Zweeds en Frans. Potgieter haalde hem in 1881 naar De Gids, waar hij van 1881 tot 1892 maakte hij deel uit van de redactie. Hij schreef in een groot aantal bladen, zoals Eigen Haard en de Katholieke Illustratie. Honigh was lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde en het Provinciaal Utrechts Genootschap. In 1891 verscheen opnieuw van zijn hand een bibliotheekcatalogus van de Rijkslandbouwschool. Dit keer fraai goud-op-snee uitgegeven. De bibliotheek omvatte inmiddels 5.956 titels. Na bijna 23 jaar in Wageningen werkzaam te zijn geweest verliet Honigh in augustus 1895 de landbouwstad om per 1 september 1895 directeur te worden van de Rijks-HBS te Zwolle -– als opvolger van W.A. Elberts. Deze functie zou hij niet lang bekleden. Zijn einde kwam onverwacht. Op vrijdag 3 april 1896 had zijn echtgenote tijdens een wandeling in de buurt van het Katerveer een broche verloren. De volgende dag klom Honigh op zijn vélocipède om in de buurt navraag te doen en te zoeken. Daarbij is hij tijdens het afdalen van een heuvel vermoedelijk de macht over het stuur kwijt geraakt, in een vijver terechtgekomen en verdronken. Eerst de volgende dag werd hij gevonden. Z’n horloge was op kwart over twaalf blijven staan. Op 8 april werd hij te Wageningen begraven bij zijn zoontje Christiaan op de begraafplaats aan de Arnhemseweg. (Bron: Biografisch Woordenboek Gelderland)
Hij bewerkte Duitse, Engelse en Scandinavische gedichten en hij maakte versjes bij de prentenboekjes van Kate Greenaway. Kijkjes in ’t Rond (1881), Nieuwe kijkjes in ’t rond (1882), en Laatste kijkjes in’t Rond (1883). Hij heeft de Engelse versjes niet vertaald, maar eigen, geheel nieuwe versjes bij de plaatjes gemaakt.
(Met dank aan Gees Bartels)

Willem Sjoerd Huberts (1953), debuteerde als dichter in 1976 met de bundel 'Gebit zonder tanden'. Na werkzaam te zijn geweest als literair onderzoeker werd hij in 2000 directeur van de bibliotheek Nijmegen.



Wilhelmus Jacobus Arnoldus de Witt Huberts (1829-1909) auteur van o.a. novellen, schetsen en levensberichten. In 1860 benoemd tot gemeentebibliothecaris en –archivaris van Zutphen. Van 1867 tot 1874 bekleedde hij naast zijn functie als directeur van de H.B.S. in Zwolle eveneens de betrekking van gemeentearchivaris aldaar. [HK]

Franciscus Junius (1589-1677), bijgenaamd de Jongere. Nederlands filoloog en dichter. In 1620 benoemd als bibliothecaris bij Thomas Howard, graaf van Arundel in Oxford, tot circa. 1640. Anthonie van Dijck vervaardigde omstreeks 1639 een schilderij met de graaf en gravin van Arundel met hun bibliothecaris Franciscus Junius rond een wereldbol. Zijn handschriften liet hij aan de Bodleian Library te Oxford. [HK]



Frans Kellendonk (1951-1990) was een Nederlands schrijver en vertaler. Met zijn debuut ‘Bouwval’ maakte hij direct naam. Kort daarop werd hij hoofdredacteur van het literaire tijdschrift Revisor. ‘Mystiek lichaam’ wordt door velen als zijn beste roman gezien. Begin jaren ’80 werkte Kellendonk in de universiteitsbibliotheek Leiden. Over deze periode gaat de sleutelroman: ‘Letter en geest: een spookverhaal’ waarbij ex-collega’s duidelijk herkenbaar zijn neergezet.




Mathias Kemp (1894-1964). Dichter [broer van Pierre Kemp]. Van 1914 – 1920 bibliothecaris van een katholieke bibliotheek.
Op 7 augustus 1916 werd de Roomsch Katholieke Openbare Leeszaal en Bibliotheek te Maastricht opgericht, in samenwerking met de toen als bestaande Pius-bibliotheek. In november 1917 had de officiële opening plaats en als eerste directeur werd op een weekloon van ƒ 10,- Mathias Kemp aangesteld. Bij de verhuizing van de Kapoenstraat 8 naar de Leo-stichting in de Bredestraat nam Kemp ontslag als directeur van de Leeszaal om zich tot 1920 geheel aan de Pius-bibliotheek te wijden, die zich voortaan enkel wijdde aan de uitlening van romans en ontspanningsboeken. [HK]



Jan Kooistra (1938-1992) dichter. Na zijn schooljaren kwam hij als administratief medewerker in dienst van de penitentiaire inrichting Dr.S. van Mesdagkliniek te Groningen, in welke functie hij tevens de gevangenisbibliotheek beheerde – tot zijn benoeming als ambtenaar in de gemeente Leek. [HK]


Marie Koopmans (1888-1979) geboren als dochter van een invloedrijk ondernemer, woonde ze tot 1920 in Tubbergen. In Laren was ze enige tijd directrice van een katholieke bibliotheek. Ze schreef streekromans in het Twents en romans in het Nederlands. Ze was een groot kenner van het Twentse volksleven en de Twentse taal en publiceerde daarover in diverse tijdschriften en kranten artikelen. In al haar werken getuigt ze van het katholieke leven.




David Jacob van Lennep (1774-1853) classicus, letterkundige, hoogleraar. Van 1817 tot 1851 bibliothecaris van de Koninklijke Academie van Wetenschappen en van 1820 tot 1838 bibliothecaris van de Stedelijke Bibliotheek (Athenaeum Illustre) in Amsterdam. [HK]







Gerrit van Lennep (1774-1834) schrijver en dichter. Onder koning Lodewijk Napoleon als onderbibliothecaris bij de Koninklijke Bibliotheek benoemd. Het personeelsbestand omvatte 6 personen van wie C.S.Flament hoofdbibliothecaris was en per kwartaal ƒ 125,- verdiende. G. van Lennep verdiende als ‘premier sous bibliothécaire’ ƒ 100,- per trimester.
In 1810 is hij tot rechter van instructie in Almelo benoemd. [HK]

Marja pseudoniem van Arend Theodoor Mooij (1917-1964) dichter.
In 1948 aangenomen als sociaal ambtenaar bij de Huizen van Bewaring. Zijn belangrijkste opdracht was het inrichten van ongeveer vijftig gevangenisbibliotheken. Al in 1950 ontving hij een nieuwe baan als directeur van het Haagse consultatiebureau voor alcoholisme. Uit een artikel voor ‘Het Vaderland’ in februari ‘Het boek in de bajes’ blijkt dat Marja aan de gevangenisbibliotheek een heilzame werking toekent en blikt hij terug op zijn kortstondige periode als gevangenisbibliothecaris. [HK]



Jaap Meijer (1912-1993) (literair) historicus, tevens dichter onder pseudoniem Saul van Messel. Hij was van 1947 tot 1952 bibliothecaris van de bibliotheek van het Portugees-Israëlitische Seminarium Ets Haim in Amsterdam. Zijn werkzaamheden zijn beschreven in de dubbelbiografie van Evelien Gans: Jaap en Ischa Meijer; een joodse geschiedenis 1912-1956. Amsterdam, 2008. [HK]







Jan Nowee (1901-1958) kinderboekenschrijver. Was schoolhoofd van de Paulusschool in Den Haag. Eind jaren dertig werkte hij als vrijwilliger bij de r.k. Vincentius-leesbibliotheek.
Daar vroegen jongens om indianen- en cowboyboeken. Omdat deze buiten Karl May vrijwel niet aanwezig waren begon hij deze zelf te schrijven, zoals de populaire Arendsoog-boeken, welke reeks later is voortgezet door zijn zoon Paul Nowee (1935-1993). In 1944 diende Jan Nowee zijn ontslag in als tweede bibliothecaris en is hij opgevolgd door de heer Smit bij het filiaal Rustenburg aan de Escamplaan.
[Bron: Een kort historisch overzicht van 143 jaar liefdewerk leesbibliotheken onder bestuur van de Vincentiusvereniging ’s-Gravenhage, 1966, blz. 56]. [HK]

Johannes Hendricus van der Palm (1763-1840) letterkundige, predikant hoogleraar. In 1789 (tot 1796) aangesteld als secretaris-bibliothecaris bij mr. J.A.van de Perre in Middelburg. [HK]








Karel van het Reve (1921-1999) slavist, hoogleraar en schrijver [broer van Gerard van het Reve]. Hij was van 1948 tot 1957 bibliothecaris op het Rusland Instituut van de Universiteit van Amsterdam. [HK]








Jacobus Revius (1586-1658) eigenlijk Jacob Reefsen geheten. Dichter, predikant en historicus. In 1618 door het stadsbestuur benoemd “om opsicht op die Bibliothecq in den Fraterhuyze alhier te hebben.” Tijdens zijn bibliothecariaat kreeg de stadsbibliotheek in 1630 tevens de functie van atheneumbibliotheek. Revius vervulde zijn bibliotheektaken tot 1641 toen hij naar Leiden vertrok. [HK]



Annie M.G. Schmidt (1911-1995) groeide op als dochter van een dominee in Kapelle. Ze werkte aanvankelijk als bibliothecaris in Amsterdam en Vlissingen. Na de WO II werkte ze bij het Parool. Als schrijfster van verzen, liedjes, boeken, toneelstukken, musicals en radio- en televisiedrama had ze een ongekend succes en heeft ze een onuitwisbare indruk gemaakt op de naoorlogse generaties.




Doeke Sijens (1955), redacteur van het Friese letterkundige tijdschrift Trotwear debuteerde in 1998 met zijn verhalenbundel 'Nei it lân fan palmerûzjen'. Sijens is schrijver van verhalen, essays en biografiën ondermeer van Rein Brolsma en een schets van Josef Cohen. Met Coen Peppelenbos schreef hij twee romans. Doeke is werkzaam in de bibliotheek Groningen.






Wilfred Smit (1933-1972) dichter en slavist. Vanaf oktober 1965 tot 1969 als bibliothecaris, o.a. belast met titelbeschrijving, werkzaam bij het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam.








Antoon Thiry (1888-1954) romanschrijver. Ofschoon Vlaams letterkundige, geboren in Leuven en overleden te Antwerpen, hier toch vermeld omdat hij als bibliothecaris werkte in Nederland. Als activist binnen de Vlaamse beweging verliet hij na de Duitse capitulatie in 1918 met Felix Timmermans het stadje Lier om in Nederland asiel aan te vragen. Op 16 juni 1921 trad hij in dienst van de zopas opgerichte openbare bibliotheek te Tiel. Daar brengt hij de bibliotheek aan de St.Agnietenstraat tot bloei. Eind 1930 kondigde hij tot spijt van het bibliotheekbestuur zijn ontslag aan om na amnestie te hebben verkregen naar Vlaanderen terug te keren.


Willem de Vreese[Een andere Vlaming, geleerde en bibliothecaris, die in 1918 naar Nederland uitweek was professor Willem de Vreese (1869-1938), die sinds 1912 hoofdbibliothecaris was van de UB-Gent. In België werd hij op beschuldiging van hoogverraad ter dood veroordeeld. Van 1919 tot 1934 werkte hij als directeur van de gemeentebibliotheek Rotterdam, die een rijke Erasmus-collectie vooral aan hem te danken heeft. De Vreese, expert op de gebieden van Middelnederlandse handschriften en incunabelen, was samensteller van het documentatie-apparaat ‘Bibliotheca Neerlandica Manuscripta’ dat zich tegenwoordig in de UB van Leiden bevindt]. [HK]


Arnold Weremeus Buning (1846-1933) letterkundige. In 1877 benoemd tor directeur van de modelkamer van Marine en bibliothecaris bij het departement van Marine te Den Haag. Tot 1883, in welke periode hij met zijn gezondheid tobde en zich vooral aan zijn letterkundig werk wijdde. [HK]

Berend Wineke (geboren 1935). Dichter en prozaschrijver. Was begin jaren 70 van de vorige eeuw directeur van de openbare bibliotheek Hilversum, in welke periode hij vanwege zijn drastisch saneringsbeleid in aanvaring kwam met de Hilversum woonachtige uitgever-publicist Martin Ros. [HK]

Kees Winkler (1927-2004) dichter. Hij studeerde medicijnen. Kort voor zijn artsexamen kwam hij in een schizoïde psychose terecht. Op voorspraak van zijn hoogleraar kreeg jij een functie als bibliothecaris op het Herseninstituut van Amsterdam en bleef daar in dienst tot zijn vut in 1987. Herinnerend aan zijn werk schreef hij aan het eind van zijn leven het volgende vers:
TOEKOMSTBEELD
De vergrijsde bibliothecaris
liet zijn blik weiden langs de planken
en hij pakte er een boekje uit
wat hij zelf geschreven had.

Hoofdschuddend om zijn overmoed van vroeger
herkende hij zichzelf als een vergeten dichter
en hij wist dat dichters vergeten worden
als hun werk niet best is.

Maar om in de herfst van zijn leven
te erkennen dat hij gefaald had
dat was teveel voor de grijze man
en hij zette het boek weer terug’.

Gerard Zerbolt van Zutphen (1367-1398) schrijver van spirituele
geschriften.
Pleitte in zijn traktaat ‘Over Dietse boeken en gebeden in de volkstaal’ (1398) voor de Bijbel in de landstaal. Hij was lid van de Broeders van het Gemene Leven in het gevolg van Geert Groote en werkte na 1384 als bibliothecaris en kopiist in het Heer-Florenshuis van Floris Radewijns in Deventer. Overleed pas 31 jaar oud in Windesheim, vermoedelijk ten gevolge van een plotselinge pestaanval. In 1936 verscheen een uitvoerige publicatie van dr.J.van Rooij, O.Carm.: Gerard Zerbolt van Zutphen. Leven en geschriften. [HK]

maandag 14 februari 2011

Jan Emiel Daele (1942-1978)

Op Valentijnsdag 1978 schoot schrijver Jan Emiel Daele, 35 jaar oud, zijn slapende vrouw Digne van Cappellen met vijf kogels dood. Vervolgens sloeg hij aan de hand aan zichzelf. Zijn drijfveer was jaloezie. Uit brieven bleek dat hij al langer zelfmoord overwoog en dat hij zijn vrouw verdacht een verhouding te hebben met een vriend.
De Gentse Jan Emiel behoorde tot de angry young man in de jaren ’60 van de Vlaams literaire wereld. Hij schreef erotische en avant-gardistische boeken en gaf eenmanstijdschriften waar hij zelf de stuwende kracht van was. Met het tijdschrift daele (met kleine letter geschreven in navolging van zijn vriend Julien Weverberg) kwam het in 1967 tot een heuse rel. In een stukje getiteld ‘Penisgroet’ stelde Daele’s vriend en schrijver Herman J. Claeys voor om het elkaar ‘de hand schudden’ te vervangen door elkaar in het kruis te grijpen. Een puberale gedachte die waarschijnlijk onopgemerkt zou zijn gebleven als niet op een vroege morgen vier rechercheurs zijn huis binnenvielen en alles rondom het tijdschrift in beslag namen. Dat paste in het straatje van Jan Emiel van Daele en er wordt gesuggereerd dat hij zelf de hand hierin had door een anonieme klacht in te dienen. In de schrijverswereld nam men afstand van de inhoud maar was men vrij eensluidend dat dit publiceren viel onder het recht op vrije meningsuiting.
Jan Emiel van Daele is begraven op een van de mooiste kerkhoven in Europa het Campo Santo in Gent genoemd naar het gelijknamige kerkhof in Rome. De begraafplaats ligt bij een heuvel waar Sint Amandus zou hebben gepredikt. Op deze laatste rustplaats ligt Jan Emiel naast vele bekende personen uit het Vlaamse leven.
De boeken van Jan Emiel van Daele zijn nog steeds te leen in openbare bibliotheek. 

donderdag 10 februari 2011

Gerard Walschap (1898-1989)

In 1948 publiceerde Gerard Walschap een roman over de Tweede Wereldoorlog onder de veelzeggende titel ‘Zwart en Wit’. Het is een roman over tegenstellingen – Vlaamse nationalisme, patriottisme, Duitsgezindheid – waarbij de kleine man een speelbal is van de hogere politieke machten en zo goed en kwaad als mogelijk, probeert te kiezen uit idealisme of uit pragmatisme om het vege lijf te redden of te profiteren ten koste van alles. Hoe moeilijk kan zo’n keuze dan zijn omdat de afloop van de winnaar nog niet bekend is.

Deze roman riep veel commotie op en een aantal recensenten uitte de bitterste verwijten aan het adres van Walschap. Deze was hierdoor geraakt maar ook weerbaar. Daarom ditmaal aandacht voor een boek dat niet vergeten mag worden: Gerard Walschaps Zwart en wit. In de eerste brief schreef, in een uiterst verzorgd en regelmatig handschrift, Walschap zijn uitgever. Op dat moment was er nog geen literaire kritiek verschenen en was het juist Walschap die kritisch was, al was het dan over een ongelukkige corrector die in zijn ogen een onvergeeflijke fout had gemaakt en als straf verdiende iedere dag in het hiernamaals een half uur in de onmiddellijke nabijheid van Heinrich Himmler te verkeren.

Beste heer van Kampen, 9 Nov. 48

Gisteren en vanmorgen Zwart en Wit ontvangen en gelezen. De uitgave zelf is een juweel, misschien wel de mooiste die ge tot nu toe van mijn werk gemaakt hebt. Mijn indruk was en is nog: welja, dat kan niet anders uitgegeven worden. Dat vind ik er de grote verdienste van. Er is niets gezochts aan, alles is redelijk en noodzakelijk. Een enkele opmerking heb ik bij mezelf gemaakt : het boek is te duur. Zoveel tekst en zoveel bladzijden zouden gemakkelijk van dubbele dikte kunnen zijn en ik denk dat de lezers zijn zoals ik : de dikken zijn sympathieker dan de mageren.
Ik heb nog een ander en dit zeer zwaar bezwaar : op twee plaatsen staat een regel dubbel gedrukt. Dat is zeker de schuld van de drukker. Ik heb vroeger reeds ondervonden dat bij Mevrouw Batta een correctie aangebracht op het eerste en daarna nog op de tweede proef, niet uitgevoerd werd. Ik vind dat zeer erg. Die fouten liggen mij op de maag en gaan er niet af. Ik voel mij als iemand die in rok verschijnt met een halve pot saus op zijn borst.
Dan is er nog iets dat ik zeer hoog opneem en dat zeker van uw corrector komt. In het eerste hoofdstuk, lang gesprek met Van Roey, slaat deze man hard met de vuist op tafel en daarna slaat de Westminster twaalf slagen, dus, heb ik geschreven, dertien slagen. De corrector heeft uitgerekend dat een Westminster te middernacht slechts twaalf slagen geeft en hij heeft mijn optelling verbeterd als volgt : “De Westminster sloeg middernacht, dus twaalf slagen”. Hier nu verlies ik niet alleen het effectje dat het die middernacht voor die lui daar 13 keren sloeg, maar ik sta ook nog te pronk als een idioot die meent zijn lezers te moeten aan het verstand brengen dat een Westminster te middernacht twaalf keren slaat.
Zeg aub. met mijn complimenten aan uw corrector, wie hij of zij ook moge zijn, dat vermits de menselijk gerechtigheid mij tegenover hun machteloos maakt, ik van nu af elke dag bid opdat hij in het hiernamaals gedurende een half [uur] alleen in een kamer met Heinrich Himmler moge opgesloten worden. En dat meen ik.
Maar het is een mooie uitgave en nu gij er in geslaagd zijt de Jezuïeten er propaganda te doen voor maken, iets dat mij met groot jolijt vervuld terwijl de vlaamse linie het juist heeft over de “De loge en de literatuur” en de literatuur van de renegaten, nu is het succes verzekerd.

Uw toegenegen Gerard Walschap

De kritiek die Walschap kreeg van Victor Vriesland en Johan van der Woude maakte hem juist bijzonder strijdbaar. Dit verwoordde hij in de navolgende aan zijn uitgever.


Geachte heer van Kampen 18-1-49

De omstandigheden hebben mij gedwongen de lumineuze inval te hebben U te vragen voor de publicatie van mijn antwoord te zorgen. Zonder uw werkelijk grote ijver zou ik in Vrij Nederland geen enkele kans meer hebben en nu verwacht ik toch dat zij, met zoveel vuur van u aan de schenen, toch zullen bezwijken. Ik weet niet of gij mij op dat stuk kent , maar ik ben gereed om voor de in mijn ogen werkelijk belangrijke dingen waar het om gaat, te vechten tot het einde, tegen zovelen als er opkomen, zolang als ze willen en wat het mij ook moge kosten . En ze zullen ’t een en ’t ander te horen krijgen.
Het artikel van Vic van Vriesland dat ik deze morgen ontving, is wat anders. Op literaire kritiek antwoord ik nooit, dat is een vast princiep. Maar hij zegt in het openbaar zijn vriendschap op en dat moet ik in het openbaar beantwoorden. Ik zal het op een geheel andere toon dan voor Van Der Woude doen, was uit het hart, en een kopij zenden aan Elsevier en een aan U. ik denk dat gij daar niet zult moeten aandringen.
Waarvoor hebben al die dapperen Hitler dan laten verslaan door de Angelsaksers? Eenvoudig om met andere mensen te doen wat hij met hen deed en een nieuwe kaste van Herren te vormen? Het zal niet waar zijn. Maar enfin, ik ga niet tegen U beginnen, maar mijn krachten sparen voor de Kesselschlachten die op komst zijn. Me Batta schrijft vanmorgen dat zij 2000 ex bij drukt en vraagt mij de fouten te verbeteren. Dat zal ik doen met de stille wens dat het U en haar mogelijk zij wat dikker papier te bezigen. Mijn vrouw zegt dat zij nog 5 ex. Zwart en Wit verwacht. We hebben er tot nu toe twintig gekregen, die natuurlijk nog gemakkelijker weggaan dan ex. in de boekhandel.

Hartelijke groeten,

Gerard Walschap

Nieuwsgierig naar het werk van Walschap? De bibliotheek kan in deze behoefte voorzien. Maak er gebruik van, het is de moeite waard.

maandag 7 februari 2011

Vieze Pieter

Pieter Boddaert junior (1766-1805) werd ook wel de vieze Boddaert genoemd om hem te onderscheiden van zijn grootvader (1694-1760). Beiden waren advocaat en dichter maar daar houdt de gelijkenis dan ook mee op. De grootvader verkeerde in de hoogste kringen, was gerespecteerd en schreef stichtelijke verzen. Junior bezocht kroeg en bordeel, zat een jaar na zijn rechtenstudie in de gevangenis, niet als advocaat maar als bajesklant en schreef ontuchtige verzen. Na het Utrechtse spinhuis vertrok hij naar Amsterdam waar hij wijntje en Trijntje weer omarmde. Waar hij ook kwam, hij dichtte voor de vuist weg en zorgde dat hij op deze wijze in een karig onderhoud voorzag. Zijn gedichten zijn schalks, ondeugend, met een spottende ondertoon maar altijd gericht op dat ene doel. Boddaert kwam ongelukkig aan zijn eind. In beschonken staat botste hij tegen een lantaarnpaal, viel op het ijs van de gracht, brak zijn been en sprak de omstanders en de opgetrommelde chirurgijn in montere stijl al rijmend toe. Enige dagen later ging hij toch heen en liet ons een mooi oeuvre na. Iets meer dan tien dagen na zijn dood werd in een advertentie van de Amsterdamsche Courant al opgeroepen in te tekenen op 'De Nagelatene Poëtische en Prosaïsche Portefeuille' van Mr. Pieter Boddaert. Tot diep in de 19e eeuw werd er geadverteerd voor deze bundel getuige de advertentie van het Amsterdamsch Handels- en Effectenblad uit 1861 die voor het Victoriaanse tijdperk met een zekere vrijmoedigheid kopers probeert te trekken.
Dit boek is online te vinden in de super long tail 'Google books' want zo mag je deze hard disk van boeken wel noemen. Van 'Levensgeschiedenis van den vermaarden dichter Mr. P. Boddaert, benevens zijne poëtische en prozaïsche portefeuille' is een exemplaar uit 1827 in het Stadsarchief- en Athenaeumbibliotheek ter inzage met onder meer het gedicht Aan de teedere kunne. In 2006 heeft Hans Heesen een keuze van zijn gedichten voorzien van een nawoord en deze bundel kan worden aangevraagd in de bibliotheek.

AAN
DE TEDERE KUNNE

Beminnelijke jufferschap!
Uw beeld is in de hoogste trap,
‘t Volmaakste ooit door natuur geschapen;
Nochtans, daar niets volkomen is,
Bleef in uw lieve beeltenis
Ook ergens nog een vakje gapen.
Hieraan, hoe kan het anders zijn?
Gevoelt gij menigwerf een pijn,
Die oog en aangezicht doet blaken.
O schonen! komt bij ons om baat;
Wij weten een bijzondre raad,
Om 't gapend vakje dicht te maken.

dinsdag 18 januari 2011

Don't look now


De film Don't look now staat in mijn top tien van de beste films ooit gezien. De film pakte vanaf de eerste minuut, bracht me zo in verwarring dat ik tijdens het kijken de rode draad verloor maar het drama vol suspense bleef me intrigeren zelfs lang nadat ik de bioscoop verlaten had.
De film opent met het beeld van een Engels gezin op een rustige zondagmiddag, vader bestudeert dia’s voor zijn werk, moeder leest en de kinderen spelen buiten in een grote tuin met nevels.

Het dochtertje geheel in het rood gekleed valt tijdens het spel in de vijver en vecht voor haar leven. Op dat moment ziet de vader die een dia bekijkt dat de dia volloopt met een rode vloeistof. De vader rent naar buiten richting vijver. Tevergeefs zijn dochtertje is dood.
In de volgende shot zie je hetzelfde echtpaar in Venetië waar John een opdracht heeft gekregen om een kerk te restaureren. Laura de vrouw van John komt in een restaurant op het toilet in contact met een wonderlijk stel oude zusters waarvan er een blind is en die blijkt te beschikken over mediamieke gaven. De blinde vrouw zegt te voelen dat Laura zeer verdrietig is maar ze ziet ook dat Christine het dochtertje van Laura en John tussen hen in zit en straalt van intens geluk. Laura is opgetogen en vertelt het verhaal aan John die het wantrouwt. Midden in de nacht ontvangen John en Laura een telefoontje van de Engelse kostschooldirecteur dat ze zich geen zorgen hoeven te maken maar dat het met hun zoontje minder goed gaat en dat hij misschien moet worden opgenomen in het ziekenhuis. Laura boekt direct een vlucht naar Engeland. Een prachtige liefdesscene tussen John en Laura doorsneden met beelden van zich John en Laura die zich aankleden en hun vertrek op een luchthaven is hieraan vooraf gegaan. Later wordt duidelijk dat dit het laatste moment is dat John en Laura bij elkaar waren. John blijft achter in Venetië en een eerdere voorspelling van de blinde vrouw dat John ook mediamiek is en dat hem een vreselijk ongeluk zal overkomen, lijkt te worden bewaarheid als John tijdens de restauratie uit de nok van de kerk valt en zich met moeite weet vast te houden aan een touw. Om tot rust te komen wandelt hij door Venetië en ziet hoe een verdronken vrouw uit een gracht wordt getakeld. Even later op een veerboot ziet hij een zwarte gondel met een doodskist aan het oog onttrokken door een zwart doek en daarachter rechtop staand Laura en de twee oude zusters, allen in zwarte rouwkleding. Hij roept en schreeuwt maar ze horen hem niet.
Later die avond in een duister Venetië, ziet John een rode schim in het water weerspiegeld, hij hoort voetstapjes en achtervolgt een figuurtje in het rood gekleed en hij roept de naam van zijn dochtertje. Na een wilde achtervolging door nauwe steegjes, smalle bruggetjes en pleintjes kan het in rood gekleed figuurtje op een hofje geen kant meer op, draait ze zich om maar is het niet zijn dochtertje maar een oud mismaakt gedrocht dat met een hakmes op hem inhakt. In mijn herinnering gilden alle bezoekers in de volgepakte bioscoop als 1 man iets wat je alleen beleeft bij een achtbaan.
De film besluit met de beelden van de zwarte gondel waarop vrouw Laura, de twee zusters en een doodskist onder een zwart doek staat.
Het drama is door regisseur Nicolas Roeg bijzonder knap weergegeven, in stukjes opgeknipt waardoor tijd en verhaallijn niet meer chronologisch zijn, met veel gevoel voor timing en spanningsopbouw wordt het verhaal gedoseerd gebracht. De film laat zich zien of lezen als een spannende roman.
De film is gebaseerd op het gelijknamige verhaal van Daphne du Maurier die behalve historische verhalen ook een aantal horror verhalen zoals The Birds schreef dat verfilmd is door Alfred Hitchcock. De in druk gepubliceerde verhalen zijn nog niet vergeten maar een dun laagje stof begint zich op het omslag van de bundel “Vijf griezelverhalen” af te tekenen.

donderdag 13 januari 2011

De pen in gal gedoopt

Geboren in 1824 in Malakka als kind van een Nederlandse jurist en een Duits-Thaise moeder wier familienaam zijn tweede voornaam werd, stapte Herman Neubronner van der Tuuk (1824-1894) na een aanvankelijke rechtenstudie in Groningen over naar Leiden waar hij Oosterse talen en Maleis studeerde.
Op voorspraak van twee professoren, kreeg hij van het Nederlandsch Bijbelgenootschap de opdracht een Batakse taal te bestuderen en er de Bijbel in te vertalen om de toenemende Islamisering van Sumatra een halt toe te roepen .
Om de taal te leren woonde Van der Tuuk van 1851 tot 1857 tussen de Batak geen kleine prestatie omdat het gebied ontoegankelijk was, nog niet onder Nederlandse invloed stond en er kannibalisme heerste. Na deze tijd vestigde hij zich enige tijd in Nederland om zijn onderzoeksmateriaal uit te werken en ging hij allerlei felle polemieken met geleerden aan.
In 1868 keerde hij terug naar Indië en woonde in een kampong in een bamboehut op Bali. Bezoekers die voor de geleerde kwamen waren verrast hem nagenoeg naakt aan te treffen slechts gekleed in een sarong die hij om de lendenen droeg. Het verhaal wil dat hij zijn bezoekers een soepterrien met geraspte kaasrestjes aanbood en bij weigering was men uit de gratie. Op zijn erf hield hij ezels die hij als lastdier beter geschikt achtte in het droge bergterrein dan paarden. Iedere gelegenheid nam hij te baat om de autoriteiten ervan te overtuigen ezels te houden, zo ook in een verslag over zijn woordenboek. Men liet hem weten dat dit niet thuishoorde bij een taalverslag. Hierop werd hij zo boos dat hij zijn directeur van Onderwijs, Eredienst en Nijverheid bestookte met onvriendelijke brieven waarbij hij zover ging dat hij een brief in potlood adresseerde aan de Directeur van Volksmisleiding, Hiernamaalse zaken en Veepest.
Hoewel van der Tuuk geen letterkundige is hij door zijn brieven bij een groter publiek bekend geworden. Rob Nieuwenhuys heeft de bundel “De pen in gal gedoopt” een keuze uit zijn brieven en documenten samengesteld. Dit boek is online te lezen en wie liever een ouderwets boek ter hand wil nemen die kan een aanvraag doen bij de bibliotheek.