maandag 7 februari 2011

Vieze Pieter

Pieter Boddaert junior (1766-1805) werd ook wel de vieze Boddaert genoemd om hem te onderscheiden van zijn grootvader (1694-1760). Beiden waren advocaat en dichter maar daar houdt de gelijkenis dan ook mee op. De grootvader verkeerde in de hoogste kringen, was gerespecteerd en schreef stichtelijke verzen. Junior bezocht kroeg en bordeel, zat een jaar na zijn rechtenstudie in de gevangenis, niet als advocaat maar als bajesklant en schreef ontuchtige verzen. Na het Utrechtse spinhuis vertrok hij naar Amsterdam waar hij wijntje en Trijntje weer omarmde. Waar hij ook kwam, hij dichtte voor de vuist weg en zorgde dat hij op deze wijze in een karig onderhoud voorzag. Zijn gedichten zijn schalks, ondeugend, met een spottende ondertoon maar altijd gericht op dat ene doel. Boddaert kwam ongelukkig aan zijn eind. In beschonken staat botste hij tegen een lantaarnpaal, viel op het ijs van de gracht, brak zijn been en sprak de omstanders en de opgetrommelde chirurgijn in montere stijl al rijmend toe. Enige dagen later ging hij toch heen en liet ons een mooi oeuvre na. Iets meer dan tien dagen na zijn dood werd in een advertentie van de Amsterdamsche Courant al opgeroepen in te tekenen op 'De Nagelatene Poëtische en Prosaïsche Portefeuille' van Mr. Pieter Boddaert. Tot diep in de 19e eeuw werd er geadverteerd voor deze bundel getuige de advertentie van het Amsterdamsch Handels- en Effectenblad uit 1861 die voor het Victoriaanse tijdperk met een zekere vrijmoedigheid kopers probeert te trekken.
Dit boek is online te vinden in de super long tail 'Google books' want zo mag je deze hard disk van boeken wel noemen. Van 'Levensgeschiedenis van den vermaarden dichter Mr. P. Boddaert, benevens zijne poëtische en prozaïsche portefeuille' is een exemplaar uit 1827 in het Stadsarchief- en Athenaeumbibliotheek ter inzage met onder meer het gedicht Aan de teedere kunne. In 2006 heeft Hans Heesen een keuze van zijn gedichten voorzien van een nawoord en deze bundel kan worden aangevraagd in de bibliotheek.

AAN
DE TEDERE KUNNE

Beminnelijke jufferschap!
Uw beeld is in de hoogste trap,
‘t Volmaakste ooit door natuur geschapen;
Nochtans, daar niets volkomen is,
Bleef in uw lieve beeltenis
Ook ergens nog een vakje gapen.
Hieraan, hoe kan het anders zijn?
Gevoelt gij menigwerf een pijn,
Die oog en aangezicht doet blaken.
O schonen! komt bij ons om baat;
Wij weten een bijzondre raad,
Om 't gapend vakje dicht te maken.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten