woensdag 4 januari 2012

Uit een goed nest

Tussen 1986 en 1987 interviewde Jojanneke Claassen voor het damesblad Libelle kinderen van bekende Nederlanders. Dat sloeg aan en er volgden meer dan zeventig vraaggesprekken. In 1988 kreeg deze succesvolle rubriek een vervolg door de interviews te bundelen in een boek met de titel “Uit een goed nest”.
Eerder had Claassen voor de Libelle de rubriek ‘De Foto’ waar ze aan de hand van een jeugdfoto sprak met bekende Nederlanders als Simon Carmiggelt en Hugo Claus. Interviewen was zeker in het begin van haar carrière haar ding. Zo interviewde ze al in 1969 David Bowie tijdens een bezoek aan Nederland voor het Parool en dineerde ze samen met hem en een aantal andere gasten. Jojanneke Claassen was niet alleen interviewer, maar ook redacteur en schrijver van boeken. Zo is ze mede-auteur van bekende soapseries als ‘Goede tijden, slechte tijden’ en ‘Medisch Centrum West'.
De gesprekken in “Uit een goed nest” zijn enigszins gedateerd. Het was nog in de tijd dat het publiek geen toegang had tot internet en er geen digitale sociale media waren maar wel was er een dienstplicht voor jongens.
De interviewster is er niet op uit om via de kinderen weetjes over hun bekende ouders te weten te komen. Ze lijkt dat eerder te willen vermijden, het gaat haar vooral om het verhaal, het leven dat de kinderen leiden, hun drijfveren en hun toekomstplannen. Het zijn leuke interviews, openhartig en als de kinderen falen dan zijn ze meestal zo eerlijk de hand in eigen boezem te steken. Bijna zonder uitzondering laten ze zich niet voorstaan op hun beroemde vader of moeder en voor een aantal is het zelfs een handicap omdat ze gepest werden en ‘anders zijn dan de anderen’. Wat je zou verwachten van deze kinderen is dat ze een goede start maken voor een belangrijke carriere maken maar soms lijkt het tegendeel het geval en hebben ze moeite met leren, de school en discipline. Veel van deze kinderen gaan dan ook niet direct naar het VWO maar volgen eerst de Mavo als springplank naar een hogere opleiding. Ze hebben een voorkeur voor creatieve beroepen bij het toneel,het theater of bij het medium televisie. En bij enkele van deze dochters en zonen is dat goed gelukt en zijn ze nu zelf min of meer bekende Nederlander zoals Andrea Kruis (striptekenaar), Jeroen Oerlemans (fotograaf), Boukje Keulen (ex-schaatser), Martijn Krabbé (presentator), Benjamin Landshoff (regisseur), Gert van Hanegem (voormalig profvoetballer), Caya de Groot (actrice) en …. Ach lees zelf want het boek “‘Uit een goed nest’” leest heerlijk vlot weg.

maandag 12 december 2011

Huub Beurskens (1950-)

“Toen mijn eerste vrouw me vertelde dat ze er een vriend op na hield en toen ze al gauw daarna vier dagen en nachten met hem in een pension in en bosrijke omgeving ging doorbrengen, ben ik naar Brussel gereisd. Toen mijn tweede vrouw een week geleden iets soortgelijks vertelde en deed, wilde ik niet dezelfde fout maken en ben naar Parijs gereisd. “

Met deze zinnen opent Huub Beurskens het verhaal ‘Belgrado’ uit zijn bundel “Badhok”waarbij ik onwillekeurig in de lach schoot. Maar misschien is het bittere ernst want in zijn novelle “Noordzeepalmen” gaat de hoofdfiguur nadat zijn eerste vrouw hem verlaten heeft naar Brussel om in een hotelkamer te verblijven. Dat boek is onthullend omdat hij als leraar een relatie begint met een leerlinge van 13 jaar. Beurskens die op dat moment zelf docent was, was verrast door de reacties van zijn collega’s die het Lolita motief een interessant thema vonden. In een interview met “Hans van de Waarsenburg” zegt Beurskens hierover: ‘Als ze dat lezen’, dacht ik, ‘slikken ze het niet’. Niks hoor, ze slikken alles, terwijl als dit boek in werkelijkheid door mij zou zijn utgevoerd, dan zou ik mijn baan zijn kwijtgeraakt en nooit meer een andere gekregen hebben. Het is duidelijk Beurskens schuwt geen taboes.

Ik kende de schrijver slechts van naam en had nog nooit wat van hem gelezen. Iets dat na het lezen van de bundel Badhok verandering in gaat komen. Ik was verrast door deze verhalen waar alle logica uit verdwenen lijkt te zijn, een herkenbare wereld dat wel maar één met absurde wendingen waardoor een verhaal kantelt in nieuwe werkelijkheden waar ik als lezer volkomen in meega.

Het titelverhaal Badhok gaat anders dan doet vermoeden niet over zwemmen maar over een Roemeense vluchteling die door de dorpelingen Badhok wordt genoemd omdat ze uit zijn gebrabbel alleen dat woord kunnen verstaan. Badhok wordt door nonnen verborgen gehouden in een klooster, heeft een prachtig lijf maar een ondraaglijke stank van kippenstront draagt hij met zich mee. Maar net zoals in het verhaal “De neus” van Gogol heeft hij geen neus maar een afgrijslijke holte gat in zijn gezicht. Badhok weet te ontsnappen en als ‘hobo ‘ reist hij in goederenwagons naar Rome. Daar wil hij als heilige eindigen en besluit van de koepel van de Sint Pieter naar beneden te zweven als engel. Maar de werkelijkheid is anders, hij stort naar beneden en slaat te pletter op de grond waar alleen zijn stank blijft hangen.
In het verhaal “De wrede liefde van Rita Polanen” wil een trouwlustige slager zijn toekomstige gade verleiden door zelf dieren op te zetten die door hun aaibaarheid op vrouwen een onweerstaanbare drang oproepen en ze daarmee verleiden met hem in het huwelijksbed te stappen.
Veel van de verhalen in deze bundel hebben iets lichamelijks zoals de man die met zijn groot scrotum ter grootte van rugby ballen, de risee is van het dorp, deze gemeenschap ontvlucht en op zijn reis een vrouw die met haar liefde zijn scrotum tot normale proporties terugbrengt. Inmiddels in goeden doen, met een beeldschone sexy vrouw en twee prachtige dochtertjes bezoekt hij in zijn sportwagen het dorp waar hij geboren is.
In het verhaal ‘De laatste nacht’ blijft de zoon van een beddenfabrikant op schoolstage een nacht weg. De volgende dag vindt men hem in een schuur, de zoon blijkt langzaam te verworden tot een stier. Op vakantie nemen zijn ouders hem mee naar Spanje om hem als stier te laten optreden in een arena.

De literaire vorm die Beurskens in dit boek hanteert is de stijl van het Groteske, een genre dat teruggaat tot de 14e eeuw. Grotesk betekent letterlijk ‘grot’ afgeleid van het Italiaanse woord Grotteschi. In de 1e eeuw liet de wrede Romeinse keizer zijn Domus Aurea (Gouden Huis) bouwen met prachtige symmetrische muurschilderingen van een aaneenschakeling van menselijke figuren, dieren, vogels, bloemmotieven die in een fantastische opeenstapeling met elkaar verbonden zijn. Keizers na Nero lieten uit afschuw om zijn wreedheden Nero’s domus volstorten met puin maar sommige zalen bleven intact en men bouwde op de restanten nieuwe gebouwen. In de Renaissance herontdekten kunstenaars deze zalen, daalden met gevaar voor eigen leven af naar beneden en gebruikte de afbeeldingen als inspiratie voor hun nieuwe kunst.
Het literaire genre is hiernaar vernoemd. In Nederland is deze vorm niet veel gebruikt en enkele schrijvers als Belcampo, Fritzi Harmsen van Beek en Hans Koekoek worden als beoefenaars van het genre gezien.

Huub Beurskens hoort niet thuis in deze blog maar zijn bundel Badhok verdient ruim twintig jaar na publicatie nog alle aandacht.

zondag 27 november 2011

Willy Corsari (1897-1998)

Dit weekend ontvingen de Volkskrant lezers een gratis dvd van de eerste aflevering van de Scandinavische detective serie The Bridge. Een lijk gevonden op de brug tussen Denemarken en Zweden is het begin van een reeks spannende gebeurtenissen. Het lijk blijkt in tweeën te zijn gesneden en de delen zijn afkomstig van twee verschillende personen. De bovenste helft behoort toe aan de voorzitter van de gemeenteraadsfractie en als motief wordt genoemd de invoer van leengeld dat de voorzitter de plaatselijke openbare bibliotheek wilde opleggen. Het is te hopen dat de Stichting Leenrecht in Nederland in de zaak leenrechtvergoedingen deze kwestie minder hoog opneemt en het bij een rechtszaak laat.

Scandinavische thrillers scoren hoog bij het Nederlands publiek. Eens was de situatie omgekeerd en werd een Nederlandse detective schrijfster in Denemarken als een filmster onthaald, bestormd door fotografen en cameramensen, handtekensessies werden bezocht door duizenden mensen en haar onderkomen in de Koninklijke suite van een hotel leek op een “oerwoud van bloemen”. Deze eer viel Wilhelmina Angela Scmidt beter bekend als Willy Corsari te beurt voor haar detectives. Ze is in 1897 geboren in het Brusselse voorstadje Saint-Pierre-Jettte en was in de vorige eeuw een van de populairste en productiefste schrijfsters van Nederland. Haar vader was diamantbewerker en ambieerde een artistieke carrière als beeldhouwer en als operazanger wat niet geheel lukte.

Willy werd naar de toneelschool in Amsterdam gestuurd, kreeg zanglessen in Berlijn en trad toe tot het cabaret van Jean Louis Pisuisse en werkte samen met de grote namen uit die tijd als Cor Ruys, Fien de la Mar, Pisuisse en het echtpaar Speenhoff.
Ze was succesvol en later toen ze alleen optrad, ging ze liedjes voor zichzelf schrijven omdat die volgens haar beter bij haar pasten. Het waren kleine verhaaltjes over liefdes en haar leven als artiest. In 1972 ter gelegenheid van haar vijfenzeventigste verjaardag werd de plaat ‘Liedjes in de schemering’ uitgebracht, gezongen door bekende zangeressen uit die tijd (voor groting, klik op de e foto). Stukjes van de liedjes zijn te beluisteren op de site van Fonos.

Na een mislukt huwelijk met een saaie notaris, hertrouwde ze de Telegraafjournalist H.W.C. Douwes en met hem schreef ze in 1927 haar eerste detective “Misdaad zonder fouten”. In de dertiger jaren leefde ze enige tijd samen met Jan Campert, de vader van Remco met wie ze samen het boek ‘Klokslag Twaalf’ schreef. Haar grootste succes was het Mysterie van de Monscheinsonate het boek waarin de bekende inspecteur Lund debuteert. Onlangs heb ik deze detective na vele jaren herlezen en ik moet zeggen het boeide opnieuw, het heeft vaart en heeft door de jaren heen nog weinig aan kracht ingeboet. Het boek is in 1935 verfilmd en is onlangs op DVD uitgekomen. In een interview met Henk van der Meijden zegt Willy Corsari dat moord en suspense vanaf haar vroege jeugd haar vergezelde. Op jonge leeftijd vernam ze bij stukjes en beetjes dat haar lichtzinnige tante Corrie door een jaloerse minnaar was vermoord. Bij de geruchtmakende moord op het echtpaar Pisuisse en de zelfmoord van de schutter kenden ze de hoofdpersonen van nabij. Op de toneelschool verloor ze haar jeugdvriendin die overleed aan een bloedvergiftiging die ze bij een abortus opliep. Haar man overleed op jonge leeftijd aan een nierziekte. Wie weet misschien was het schrijven een aanleiding om met deze tegenslagen te kunnen omgaan. Zelf behoort Willy Corsari tot een van de oudste schrijfsters van Nederland en is ze honderd jaar geworden.

zondag 6 november 2011

Theun de Vries (1907-2005)

Van Hans Krol [HK], verwoed verzamelaar van alles wat met bibliotheken te maken heeft, ontving HetVergetenBoek een uitgebreide beschrijving over Theun de Vries die in zijn jonge jaren directeur van de bibliotheek Sneek is geweest. Dit ter aanvulling van de post 'Help Mee'van 16 februari 2011.

Theun de Vries (1907-2005) romanschrijver.
Werkte van 1929 tot 1936 als assistent bij de openbare leeszaal van Sneek na het assistentsdiploma in 1929 in Utrecht te hebben behaald. Omdat ik over het stamboek van de Sneekse bibliotheek beschik uit de periode dat Theun de Vries daar werkzaam was ga ik [HK]wat dieper op diens bibliotheekloopbaan in. Dr. Overdiep, zijn leraar Nederlands raadde Theun de Vries in 1927 aan middelbaar Nederlands te gaan studeren. Omdat vooral het linguïstische onderdeel hem tegen stond zag hij hiervan af. Volgens Overdiep bleef in dat geval voor zijn persoon nog maar één ding over: het volgen van een bibliotheekopleiding. Als leerling ging hij toen stage lopen bij de openbare leeszaal in Apeldoorn. “Daar heb ik de grondbeginselen van het bibliotheekvak geleerd.” Vervolgens genoot hij het voorrecht om zijn volgende stage te volgen aan de openbare leeszaal in Hilversum, welke instelling in die tijd landelijk een goede naam had. “Veel van deze ‘Gooiers’ [intellectuelen en kunstenaars] bezochten de bibliotheek, die op literatuurgebied werkelijk een schatkamer was. Overigens ben ik daar voor het eerst en heel uitgebreid in aanraking gekomen met de jonge Sovjet-literatuur.” In 1929 solliciteerde De Vries naar een functie als tijdelijk assistent bij de openbare leeszaal van Sneek en werd hij aangenomen en even later werd hij vanwege een nieuwe vacature in vaste dienst aangesteld. In 1930 vroeg hij het bestuur studieverlof aan voor het volgen van de directeurscursus in Den Haag. Blijkens een bericht in ‘Bibliotheekleven’ van 1931, blz. 134, is aan T.U. de Vries te Sneek als enige man
het directeursdiploma uitgereikt evenals aan 11 dames.
Dat diploma werd gehaald, maar dr. P.C.Molhuysen, directeur van de Koninklijke Bibliotheek en inspecteur van het openbaar bibliotheekwezen was verre van enthousiast, gelet op diens uitspraak “U bent dichter en dichters zijn incapabel voor zakelijke dingen. Wij achten u volledig ongeschikt om ooit directeur van een bibliotheek te worden. Gaat u maar naar Sneek terug, want daar zult u niet te veel schade kunnen aanrechten.” Theun de Vries voegde daar in een gesprek met Hans van de Waarsenburg aan toe: “Intussen bleek ik een heel goede bibliothecaris te zijn; ik heb tussen 1932 en 1934 bijvoorbeeld de hele bibliotheek in Sneek opnieuw gecatalogiseerd. Overigens was mijn opleiding in Den Haag voor mij een lichtpunt, want zo kon ik een jaar weg uit Sneek. Ik was trouwens de enige man die deze directeurscursus volgde, de rest van het gezelschap bestond uit meisjes, die uit alle delen van het land afkomstig waren. Ze behandelden mij erg collegiaal en voor hun lieve toenaderingen werd ik behoed door het feit dat ik in Apeldoorn Aafje Maria Vernes had, mijn meisje. Zij was voor mij het beschermende denkbeeld en een hele grote troost. Toen ik in Sneek terugkwam, was zij de enige bij wie ik heul en soelaas kon vinden.”
18 juli 1931 vroeg Theun de Vries bij het bestuur eervol ontslag aan wegens gezondheidsredenen. Echter op 26 augustus trok hij zijn ontslagaanvrage in omdat zijn ouders zich zeer tegen zijn terugkeer in het ouderlijk huis te Apeldoorn hadden verzet. Tevens verzocht hij goedkeuring voor het feit dat hij tijdelijk zijn intrek had genomen ten huize van de conciërge der Leeszaal. Het bibliotheekbestuur stemde in met een en ander.
Op 24 augustus 1931 is het volgende familiebericht geplaatst in de krant Handelsblad:

Van 1924 tot 1931 was A.H. de Vries directeur van de openbare leeszaal, in 1933 opgevolgd door mej. G.Y.Vonk.
Op 1 augustus 1933 verzocht Theun de Vries schriftelijk aan het bestuur verlof om een congres van schrijvers gedurende een maand van half september tot half oktober in Moskou bij te wonen. “De bedoeling is, het Nederlandsche schrijvers mogelijk te maken, zich persoonlijk op de hoogte te stellen van de toestand in Rusland, eventueel met het doel daarover te schrijven.” In een bestuursvergadering van 14 augustus ontstond hierover een brede discussie en De Vries legde uit dat het om een ‘internationaal schrijverscollectief’ gaat van revolutionaire auteurs, niet allemaal zuivere communisten. Hij verklaarde verder desgevraagd dat bijwoning weliswaar geen voordeel zou hebben voor de Sneekse leeszaal. Hierna bleek het bestuur verdeeld, maar dankzij de voorzitter werd in meerderheid met het verzoek ingestemd. Voor de secretaris was dat aanleiding te bedanken als bestuurslid omdat “hij niet wil meewerken aan het propagandistisch streven van de Sovjet regering.” Uiteindelijk is door De Vries afgezien van zijn reis naar Moskou. Aan de directrice had hij vooraf medegedeeld liever niet te zullen gaan wanneer geen beslissing met eenparigheid kon worden genomen.
In 1934 ontving De Vries van Maxim Gorki een persoonlijke uitnodiging een congres van Sovjet schrijvers bij te wonen, maar omdat anders zijn functie in Sneek in het gedrang zou komen zag hij ook daarvan af.
In eerder genoemd stamboek van de bibliotheek is de roman ‘Stiefmoeder aarde’ uit 1936 als het 29.008ste boek ingeschreven, bij de boekhandel aangeschaft voor ƒ 3.90. Publicatie hiervan gaf aanleiding tot de zoveelste botsing tussen Theun de Vries en het leeszaalbestuur en de schrijver nam, zoals hij later schreef, opgelucht afscheid van “het miserabel kleinestadsbestaan” om vervolgens in Amsterdam te worden van het communistische partijorgaan ‘De Tribune’. Eenmaal woonachtig in de hoofdstad zijn nog verscheidene schenkingen van Theun de Vries in het bibliotheekbezit opgenomen, allemaal met een duidelijk politieke signatuur, zoals ‘Lenin’ door J.W.Stalin, ‘Grondslagen van het tweede vijfjarenplan’, ‘Het communistisch manifest’(Karl Marx en Friedrich Engels). Het aanschafbeleid van Sneek kan men allesbehalve eenzijdigheid verwijten. Veel letterkunde en allerlei ontwikkelingsboeken waarop niets valt af te dingen. Ook ‘Mein Kampf’ van Adolf Hitler, naast stichtende werken van of over figuren als Tagore, Krishnamurti, Gandhi, Schweitzer, Buskes, Einstein en paus Pius XI.
Boeken als ‘Doctor José droomt vergeefs’ (1933) en ‘Eroica’ (1934) zijn als ‘geschenk’[van de auteur en assistent bibliothecaris] genoteerd,
In 1936 diende Theun de Vries zijn ontslag in. Het jaarverslag maakte hier melding van met de volgende woorden. “Na 7 jaar als assistent aan de Leeszaal verbonden te zijn geweest, vertrok de heer de Vries half januari naar Amsterdam. Als een vlug en voortvarend werker heeft hij veel voor de Leeszaal gedaan, terwijl van zijn uitgebreide boekenkennis menigeen heeft kunnen profiteren.” Een half jaar later stuurde hij nog een bedankbriefje aan het bestuur.
Over Theun de Vries is in maart 2011 het eerste deel van een uitvoerige biografie verschenen van Jan van Galen: Theun de Vries – Een schrijversleven. 1907-1945. Uitgeverij Aspekt. Voorts kwam in 2010 een fraaie boekuitgave uit door Albert H.Pasma: 100 jaar bibliotheek Sneek, waarin uiteraard Theun de Vries ter sprake komt evenals o.a. het belangrijke bestuurswerk van dr. L.Hertzberger van 1910 tot 1922.
In 1993 sprak ik [HK] de schrijver in de openbare bibliotheek van Heemstede toen Felix Rottenberg hem het eerste exemplaar overhandigde van een boek door de toentertijd in Heemstede woonachtige Ruud Vreeman: De factor arbeid: werkende mensen in de letteren.
Theun de Vries sprak toen met veel nostalgie over zijn jaren als bibliothecaris in Sneek.

woensdag 26 oktober 2011

Vlaamse bibliothecarissen en schrijvers

Ditmaal aandacht voor Vlaamse bibliothecarissen en archivarissen die zich op het letterkundig pad begaven. Het zijn er vele. Als een rode draad loopt bij een aantal van hen het Vlaams bewustzijn, Wo I en de Antwerpse bibliotheek waar velen een baan hadden. Er zijn (on)bekende schrijvers bij waar ik op getipt ben door Hans Krol die zo vriendelijk was om zelf te zorgen voor een korte beschrijving waarbij hij niet schroomde om voor hulp bij Vlaamse collega's aan te kloppen.

Prosper Arents (1889-1984), Antwerpse bibliothecaris schreef korte verhalen die volgens het Lectuur Reportorium uit 1936 'amoreel en onbruikbaar' zijn. Arents is meer bekend door zijn goed gedocumenteerde bibliografieën die hij samenstelde over onder meer Guido Gezelle, Lode Baekelmans en Pieter Paul Rubens. [HK]








Lode Baekelmans (1879-1965) werkte als bibliothecaris van een volksbibliotheek in de Blindenstraat te Antwerpen die onder zijn bezielende leiding al snel een modelbibliotheek werd, na enige tijd promoveerde hij tot stadsbibliothecaris van de stad Antwerpen. Zijn bekendste boeken als schrijver zijn Tille, meneer Snepvanger en Het rad van avontuur. Zowel in de letterkundige - als de bibliotheek wereld was hij gezien en gevraagd. Hij bekleedde tal van vele bestuursfuncties en zat vele congressen en symposia voor. Hij stierf op 11 mei 1965.





Jaak Boonen (1875-1944) was een voorbeeldig student en zijn ouders zagen in hem een toekomst als priester. Hij werd echter hulpbibliothecaris bij de kamer van Volksvertegenwoordigers en schreef voor koning Albert redevoeringen. Boonen was niet alleen doctor in de wijsbegeerte en letteren, maar ook hoogleraar en letterkundige. Hij schreef verscheidene bundels folkloristisch getinte verhalen en maakte veel vertalingen o.a uit het Frans en het Engels. [HK]





Herman Brusselmans (1957) ging na zijn studie Germaanse filologie werken in de bibliotheek van een ministerie. Over deze tijd schreef hij de roman 'De man die werk vond' dat gaat over de zonderlinge bibiothecaris Louis Tinner, beheerder van een recreatiebibliotheek, dagdromend over meisjes, bladzijden uit boeken scheurt, klanten uitscheldt etc. Brusselmans is een succesvol veelschrijver die niet te beroerd is om collega's onder uit de zak te geven. Publieke optredens vallen door zijn humor en provocaties bij vooral jonge mensen in de smaak.

Guido Cloet (geb. 1953)
Dichter die in een kwart eeuw tijd een drietal bundels publiceerde. Hij is beheerder van het ‘Tabularium’ (Oude drukken en Archief) van de Leuvense Universiteitsbibliotheek (inf. Marcus de Schepper). [HK]







Eugene [Eugeen] De Bock (1889-1981) is een schrijver van literair-historische essays en van novellen en tevens directuer van uitgeverij ‘De Sikkel’. Hij trad op 1 januari 1912 als klerk in dienst van de stadsbibliotheek onder directie van Emanuel de Bom en werd in december 1918 ontslagen.







Jos Daelman is gegradueerde in de bibliotheconomie en in de wetenschappelijke en technische documentatie. Tot zijn pensionering in 1997 werkte hij als informatiedeskundige. Sinds 1994 is hij docent poëzie aan de Schrijversacademie te Antwerpen. Hij debuteerde in 1974 met de dichtbundel Land tussen zee en aarde. Behalve in de eigen taal schrijft en publiceert hij ook in het Engels, o.a. het in 1992 bij Fantom verschenen Letters from Sark and other places. [HK]







Servaes Dominicus Daems (1838-1903) was kanunnik van de abdij Tongerlo. Hij was leraar in de godgeleerdheid en bibliothecaris van de Norbertijner abdij. Hij schreef onder het pseudoniem Peeter Klein talrijke verhalen, gedichten en een roman. [HK]











Johan Daisne (1912-1978) staat door zijn enorme productie ook wel bekend als de Vlaamse Dostojevski. Hij introduceerde het magische realisme in de Nederlandse literatuur. Bekende werken zijn 'De man die zijn haar kort liet knippen', 'De trap van steen en wolken' en 'De trein der traagheid'. De laatste roman gaat over een bibliothecaris die een treinongeluk meemaakt waarbij de 'wet van traagheid'een rol speelt. Van dit boek is een film en een toneelstuk gemaakt. Daisne was met hart en ziel bibliothecaris onder meer in de openbare stadsbibliotheek te Gent.




Emmanuel De Bom (1868-1953) grossierde in tientallen pseudoniemen en schreef romans, biografieën, essays en kritieken. Tot zijn bekendere werken behoren Wrakken uit 1898 en Het levende Vlaanderen uit 1917. In de stad Antwerpen werd De Bom bibliothecaris, maar werd in 1918 na de Eerste Wereldoorlog om zijn flamingantische ideeën ontslagen. Pas in 1926 werd hij dankzij onder meer August Van Cauwelaert in eer en functie hersteld.





Frits Francken pseudoniem van Frederik Edward Clijmans (1892-1969) was assistent bibliothecaris (1919-1934) aan de Stedelijke Volksbibliotheek te Antwerpen schreef journalistieke bijdragen voor diverse kranten en maakte naam met goede romantische en realistische novellen. [HK]








Maurice Gilliams (1900-1982) was een Vlaams schrijver en dichter. Hij trouwde met Gabriëlle Baelemans maar al snel na hun huwelijk leefden ze gescheiden. Zijn werk is autobiografisch waarvan de roman Elias of het gevecht met de nachtegalen de bekendste is. De thema's waar hij over schreef waren zijn mislukt huwelijk en zijn verloren jeugd. Gilliams was jaren wetenschappelijk bibliothecaris van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen.







Frans Gittens (1842-1911) schreef onder pseudoniem van Dick ‘o the Flannel, was lid van de Antwerpse gemeenteraad en hoofdbibliothecaris van de Stadsbibliotheek (1903-1911). Hij schreef toneelstukken in de Nederlandse, Franse en Engelse taal. [HK]







Constant Jacob Hansen (1833-1910) geboren te Vlissingen was een Vlaams schrijver, boekhouder en journalist. Zijn vader was van Deense afkomst en zijn moeder was een Zeeuwse. Hansen werd uiteindelijk directeur (stadsbibliothecaris) van de Antwerpse bibliotheek. Hij schreef gedichten, publiceerde artikelen over de 'Dietsche' taal en stam en was lid van de Vlaamse beweging. [HK]



Emmanuel Hiel (1834-1899) schreef onder pseudoniem van G. Hendrikssone gedichten en oratoria. Vanaf 1869 was hij bibliothecaris van het Koninklijk Nijverheidsmuseum in Brussel. [HK]








Karel Jonckheere (1906-1993) was een veelzijdig schrijver met een poëtische pen, schreef gedichten, reisverhalen, novellen essays en kritieken. In 1946 werd hij benoemd als rijksinspecteur van de openbare bibliotheken voor West-Vlaanderen, tot 1953. In Nederland werd hij bekend als voorzitter van het satirische televisieprogramma “Hou je aan je woord” waar ook Hella Haasse, Godfried Bomans en Dr. Victor E. van Vriesland optraden. Jonckheere onderscheidde zich in dat programma als taalvirtuoos en inventief man. [HK]



Alice Nahon (1896-1933) was een bekend en gevierd dichteres in Vlaanderen. Op haar achttiende werd ze verpleegster en hielp onder erbarmelijke omstandigheden de soldaten. Toen ze zelf ziek werd is ze verkeerd gediagnotiseerd en meende men dat ze aan tbc leed in plaats van een chronische bronchitis. Bij de geboorte van Gerard Walschaps zoon Hugo was Alice kraamzuster. Nahon werd in 1927 bibliothecaris in Mechelen maar moest haar baan opzeggen in 1932 en overleed niet lang daarna.




Willem Putman (1900-1954) kreeg als zoon van vader Palmer Putman die toneeluitgever, boekhandelaar en schrijver was van vooral volkse toneelstukken, het toneelschrijven met de paplepel ingegoten. Hij was een bijzonder verdienstelijk en productief toneelschrijver. Van 1926 tot 1944 was hij inspecteur voor openbare bibliotheken in West-Vlaanderen. [HK]






Ward Ruyslinck (1929) is een Vlaams schrijver en prijkte veelvuldig op boekenlijsten van scholieren met roman 'De ontaarde slapers' en 'Wierook en tranen'. Zijn vader was bibliothecaris bij een oliemaatschappij en hij trad in zijn voetsporen toen hij adjunct-bibliothecaris werd van het prentenkabinet van het Plantijn-Moretusmuseum te Antwerpen. Zijn werk is vertaald in twaalf talen, verfilmd en voor het toneel bewerkt.






Ward Schoutenden (1894-1957) was in Wo I frontsoldaat. Hij is auteur van een aantal uitstekende toneelstukken en was in het dagelijks leven bibliotheekinspecteur in Belgisch Limburg. [HK]











Theodoor Sevens (1848-1927) Dichter en schrijver van kinderliedjes. Was behalve hoofdonderwijzer ook werkzaam als archivaris van Kortrijk. In 1958 is de openbare bibliotheek van Kinrooy vernoemd naar haar beroemde dorpsgenoot Theodoor Sevens. [HK]





Antoon Thiry (1888- ) was sedert 1921 enkele jaren bibliothecaris te Tiel, in Nederland. Hij schreef kleine stadsnovellen die in de letterkundige kritiek goed werden ontvangen wat niet van zijn romans kan worden gezegd. [HK]








Jan Van Beers (1821-1888) schreef zijn eerste dichtbundel 'Jongelingsdromen' in 1853. Van 1844 tot 1849 was hij hulpbibliothecaris in de Stadsbibliotheek van Antwerpen. Hij was Vlaamsgezind en een groot bewonderaar van de Nederlandse dichter Tollens. Hij trouwde met Hendrika Mertens, dochter van de hoofdbibliothecaris, Frans-Hendrik Mertens. In 1852 werd hun zoon Jan van Beers jr. geboren die zich zou ontwikkelen tot een bekend societyschilder. [HK]







Frans Jozef Peter Van den Branden (1837-1922) schreef letterkundig-historische werken en toneelstukken en was stadsarchivaris van de Stadsbibliotheek Antwerpen. [HK]










Prudens Van Duyse (1804-1859), leraar aan het Atheneum en Akademie te Gent en sedert 1838 stadsarchivaris. Hij beschikte over een ongewoon improvisatietalent wat hem tot een beroemd gelegenheidsdichter maakte. Zijn dichtbundels kenmerken zich door een sterke lyriek en spontane gevoelens. [HK]







Albert Korneel Jozef Van Hoogenbemt (1900-1964), dichter en schrijver. Hij schreef een roman over een Verlaine-achtige persoonlijkheid met een rusteloze Bohemien natuur. Vanaf 1 juli 1948 (tot 1968) werkzaam bij het Ministerie van Onderwijs in de functie van hoofdinspecteur voor openbare bibliotheken en volksopleiding. [HK]









Gerard Walschap begon aan een studie voor priester en verruilde dat al snel voor een schrijverschap bij een weekblad . Later begon hij gedichten, toneelstukken, novellen en romans te schrijven. Zijn werk was in het katholieke België voor de WO II zeer omstreden en werden geplaatst in de beruchte index die ook voor bibliotheken gold. Walschap vocht tegen deze hypocrisie en werd uiteindelijk een gelauwerd auteur. In 1940 werd hij benoemd tot inspecteur van de openbare bibliotheken.






Jan Frans Willems (1793-1846) was activist en wordt gezien als de ‘Vader van de Vlaamse Beweging’. Hij schreef gedichten hymnen en was van 1815-1821 hulparchivaris van het Stadsarchief Antwerpen. [HK]







Emiel Willekens (1922-2009) was tijdens zijn leven onder meer directeur van de stadsbibliotheek Antwerpen, directeur van een middelbare opleiding voor bibliotheekpersoneel en op tal van terreinen actief. Hij schreef gedichten en biografieën over o.a. Hendrik Conscience, Karel Cuypers en Emanuel Hiel. In literaire tijdschriften publiceerde hij over Willem Elsschot, Knut Hamsum en Alice Nahon . [HK]

donderdag 16 juni 2011

Wie was D. Coene

D. Coene is een Amsterdamse uitgever die begin 20e eeuw een klein aantal boeken uitgaf. Op internet is er weinig aanvullends over hem te vinden. Er is iets ongerijmds aan deze uitgever. Zijn boeken zijn juweeltjes van versier- en boekbindkunst. Chris Lebeau, Wilhelmina Drupsteen en J.B. Heukelom die toch tot het crème de la crème van de kunstenaars uit die tijd behoorden, werkten mee aan zijn boeken. Zijn auteurs daarentegen krijgen (bijzonder) slechte kritieken. In het tijdschrijft De Boekenschouw, 6e jaargang 1912-1913, krijgt Antoine Barkeij, de schrijver van ‘Het onzichtbare’ er van langs met de volgende kritiek: “Eerlijk gezegd, ik begrijp het boek niet ! Het is duidelijk genoeg dat de schrijver iets hekelt : maar wat, waarom . , . enz.? Inhoud : een scheikundige ontdekt een stof, die voor eenigen tijd het individu, dat haar inneemt, onzichtbaar maakt. De Chemicus sterft ... zijn praeparaat wordt onbewust gebruikt door een dominee die daarna voor de oogen zijner hoorders voor een poos verdwijnt, ofschoon men zijn stem blijft hooren. Eveneens gaat het met den burgemeester. Het volk roept „mirakel" enz. Nog eens, ik begrijp de bedoeling niet ; maar zooals het boek er ligt zal het niemand hinderen, en waarschijnlijk ook niemand vermaken. A. GIELEN.
Ook Theo Thijssen kraakt een schrijver uit Coene's fonds, G. van der Hoeven, auteur van onder meer het Bloemenkindje:
“Als dit boek in de bibliotheek was, zouden de kinderen het noemen: het malle stippeltjes boek. Het is een ‘modern sprookje.’ Dreunend dondergekraak breekt knetterend en hol rommelend los, boven het naargeestige, sombere woud ... Hu! ... een felle lichtstraal! ... Krak-krak! krrràk!!! Bòmmm!!!! ... De helft van het verhaal bestaat uit stippeltjes. Ik onderstel, dat de auteur zulks doet, om den lezer na elk mal gedeelte gelegenheid te geven tot uit-lachen. ‘Telkens nog flikkert het weerlicht ... Rommelend en bommelend sterft weg de zware donder .... (twee regels stippels.) Soms staat midden tusschen de stippels, een niet-modern zinnetje, dat dan bijzonder raar doet:
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Onweer en stortregen namen in kracht toe
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Heusch, 'n goed mensch, die G.v.D. Hoeven, maar hij of zij had niet ‘modern’ moeten doen. THIJSSEN.”


Ook August Heyting een andere schrijver van Coene die politieke geschriften en gedichten schreef, wordt door Joris Eijnatten in een Bilderdijk studie gekarakteriseerd als een ‘mislukte, rechts-nationalistische literator’.

Ja met de inhoud van Coene’s fonds lijkt het goed mis te zijn maar de verpakking is des te beter. Twee boeken uit dit kleine fonds zijn in het Geheugen van Nederland opgenomen, het boek 't Poëetje in blank perkament met goud bestempeld en het sprookje Sneeuwwitje prachtig geïllustreerd met Art Nouveau tekeningen van Wilhelmina Drupsteen. Op het Duitse ebay is een reclame etiket te vinden van D. Coene uit de Nicolaas Beetstraat 128. In de 19e eeuw was het niet ongewoon dat boekbinders een klein papieren etiketje in een der onderhoeken van het voor- of achterplat van een boek plakten. Het dook op in de jaren 1840 tot omstreeks 1890. Daarna is het uit de mode en houdt een enkele boekbinder zich aan deze traditie. Misschien was Coene een boekbinder met contacten in de kunstenaarswereld die met een slechte neus voor schrijverstalent, zich begaf op het uitgeverspad. Hoe het ook zij, Coene blijft intrigeren.

Fonds D. Coene:
De wonderwereld : sprookjesboek
Dähnhardt, Oskar / Coene / 1908

Bloemenkindje : sprookje van goed en kwaad Hoeven, G. van der / Coene / 1906 met tekeningen D. Coene en bandontwerp J.B. van Heukelom.

De groenenkanker aan de universiteiten : een nationaal gevaar : een woord ter bestrijding en genezing
Heyting, A.T.A. / Coene / 1910

Poëetje : de gang van een menschenziel
Hack, Jeanne / Coene / 1907

Liederen en hymnen
Heyting, August / Coene / 1914 Bandontwerp Chris Lebeau

Van dood en leven
Heyting, August / Coene / 1920 Bandontwerp Chris Lebeau

De reien van Vondel : met talrijke esthetische aanteekeningen
Vondel / Coene / 1910 Bandontwerp Chris Lebeau

"'t Partijgedoe" : gematigd onverschillig beschouwd
Ravesteyn, Henk / Coene / 1909

Sneeuwwitje Hoeven,
G. van der Hoeven / D. Coene / 1906 Bandontwerp en tekeningen door W.C. Drupsteen

ABC voor mijne kleinen
Hildebrandt, Marie / D. Coene / 1909

Hollandsch strand
Heukelom, J.B. / D. Coene / 1908

Asschepoester
Hoeven, G. van der / D. Coene & Co. / 1907

Het onzichtbare
Antoine Barkeij / D. Coene / 1912

Diverse Jaarkalenders met tekeningen van Chris Lebeau

zondag 5 juni 2011

Betty MacDonald (1908-1958)

Soms delf je een vergeten boek op. Ditmaal het boek ‘Iedereen kan alles’ van Betty MacDonald (1908-1958). Op Marktplaats werd het aangeprezen tegen een schappelijke prijs. Het boek is in 1951 uitgegeven door P.N. van Kampen, vertaald door Lex Gans en versierd met tekeningen van Fiep Westendorp. Ik was al langer op zoek naar deze titel omdat ik vermoedde dat de oorspronkelijke pentekening uit het boek in mijn bezit is. Ik wilde dit graag bevestigd zien en probeerde het boek te lenen in een bibliotheek maar onze nationale catalogus Picarta en zelfs de grootste bibliotheekcatalogus ter wereld Worldcat gaven voor het lenen van de Nederlandse uitgave niet thuis.

Het boek, keurig verpakt werd door de post bezorgd. Elk van de 17 hoofdstukken opent met een tekening van Fiep Westendorp in de haar karakteristieke stijl, kinderen met wipneusjes, bolle wangetjes en koddige beentjes, oudere dames met benen als luciferstokjes die beschikken over een zekere kwiekheid. Pas bij hoofdstuk 17 vond ik ‘mijn’ tekening in het boek. Het gaf me een wonderlijk gevoel.


Wie was Betty MacDonald? Betty’s was de dochter van de mijnbouwkundig ingenieur Bard die overleed toen Betty 13 jaar was. Ze woonde een groot deel van haar leven in Seattle. Betty was de op een na oudste uit een gezin van 5. Haar oudere zus Mary was de ideeënrijke motor die met haar overwicht op kinderen, Betty wist over te halen tot soms (heel) gevaarlijke spelletjes.
Betty trouwde op 20 jarige leeftijd met de 13 jaar oudere Robert Heskett die na zijn gevechten aan het front in WO I, leed aan een posttraumatische stress stoornis. Heskett mishandelde haar en dreigde haar te verminken of in brand te steken. Samen met haar 2 jonge dochtertjes vluchtte ze bij hem weg, een onzekere toekomst tegemoet tijdens het hoogtepunt van de Depressie. Ze werd opgevangen in het liefdevolle gezin van haar moeder. Zus Mary (links op foto, rechts Betty) was inventief, beschikte over een uitgebreid sociaal netwerk en wist niet alleen haar familieleden maar ook haar vrienden aan werk te helpen. Mary bezat de gave om mensen te overtuigen en haar motto was ‘iedereen kan alles’ dat glod ook voor de verlegen Betty die geen kantoorervaring had. Ze wisselde bijna om de paar weken van werk en pakte van alles aan. Ondanks de armoede die er werd geleden stond haar ouderlijk huis open voor vrienden en kennissen die bleven eten, piano speelden, zongen en literair werk bespraken.
Betty trouwt tijdens de oorlog met Donald MacDonald. In 1945 krijgt ze een telefoontje van zus Mary die haar voor het blok zet door een afspraak te maken met een uitgever en Betty dwingt om te gaan schrijven. Al haar romans zijn autobiografisch, met vaart geschreven, humoristisch van toon. Haar eerste roman ‘The egg and I’ die over haar harde leven op de kippenfarm gaat, is een succes en een 1 miljoen exemplaren worden in een jaar tijd verkocht. De volgende roman is ‘Iedereen kan alles’ en gaat over haar ervaringen op de arbeidsmarkt. Ze schreef ook kinderboeken die populair werden zoals de Mrs Piggle-Wiggle boeken die onder meer door Maurice Sendak werden geïllustreerd. In 1958 overleed Betty op jonge leeftijd aan longkanker.
Haar zus Mary trouwde een Deense dokter en ging vervolgens ook schrijven want inderdaad ‘zij kon alles’.
Als schrijver lijkt Betty nog steeds geliefd, artikelen worden over haar geschreven en er is zelfs een fan site aan haar gewijd.