donderdag 10 februari 2011

Gerard Walschap (1898-1989)

In 1948 publiceerde Gerard Walschap een roman over de Tweede Wereldoorlog onder de veelzeggende titel ‘Zwart en Wit’. Het is een roman over tegenstellingen – Vlaamse nationalisme, patriottisme, Duitsgezindheid – waarbij de kleine man een speelbal is van de hogere politieke machten en zo goed en kwaad als mogelijk, probeert te kiezen uit idealisme of uit pragmatisme om het vege lijf te redden of te profiteren ten koste van alles. Hoe moeilijk kan zo’n keuze dan zijn omdat de afloop van de winnaar nog niet bekend is.

Deze roman riep veel commotie op en een aantal recensenten uitte de bitterste verwijten aan het adres van Walschap. Deze was hierdoor geraakt maar ook weerbaar. Daarom ditmaal aandacht voor een boek dat niet vergeten mag worden: Gerard Walschaps Zwart en wit. In de eerste brief schreef, in een uiterst verzorgd en regelmatig handschrift, Walschap zijn uitgever. Op dat moment was er nog geen literaire kritiek verschenen en was het juist Walschap die kritisch was, al was het dan over een ongelukkige corrector die in zijn ogen een onvergeeflijke fout had gemaakt en als straf verdiende iedere dag in het hiernamaals een half uur in de onmiddellijke nabijheid van Heinrich Himmler te verkeren.

Beste heer van Kampen, 9 Nov. 48

Gisteren en vanmorgen Zwart en Wit ontvangen en gelezen. De uitgave zelf is een juweel, misschien wel de mooiste die ge tot nu toe van mijn werk gemaakt hebt. Mijn indruk was en is nog: welja, dat kan niet anders uitgegeven worden. Dat vind ik er de grote verdienste van. Er is niets gezochts aan, alles is redelijk en noodzakelijk. Een enkele opmerking heb ik bij mezelf gemaakt : het boek is te duur. Zoveel tekst en zoveel bladzijden zouden gemakkelijk van dubbele dikte kunnen zijn en ik denk dat de lezers zijn zoals ik : de dikken zijn sympathieker dan de mageren.
Ik heb nog een ander en dit zeer zwaar bezwaar : op twee plaatsen staat een regel dubbel gedrukt. Dat is zeker de schuld van de drukker. Ik heb vroeger reeds ondervonden dat bij Mevrouw Batta een correctie aangebracht op het eerste en daarna nog op de tweede proef, niet uitgevoerd werd. Ik vind dat zeer erg. Die fouten liggen mij op de maag en gaan er niet af. Ik voel mij als iemand die in rok verschijnt met een halve pot saus op zijn borst.
Dan is er nog iets dat ik zeer hoog opneem en dat zeker van uw corrector komt. In het eerste hoofdstuk, lang gesprek met Van Roey, slaat deze man hard met de vuist op tafel en daarna slaat de Westminster twaalf slagen, dus, heb ik geschreven, dertien slagen. De corrector heeft uitgerekend dat een Westminster te middernacht slechts twaalf slagen geeft en hij heeft mijn optelling verbeterd als volgt : “De Westminster sloeg middernacht, dus twaalf slagen”. Hier nu verlies ik niet alleen het effectje dat het die middernacht voor die lui daar 13 keren sloeg, maar ik sta ook nog te pronk als een idioot die meent zijn lezers te moeten aan het verstand brengen dat een Westminster te middernacht twaalf keren slaat.
Zeg aub. met mijn complimenten aan uw corrector, wie hij of zij ook moge zijn, dat vermits de menselijk gerechtigheid mij tegenover hun machteloos maakt, ik van nu af elke dag bid opdat hij in het hiernamaals gedurende een half [uur] alleen in een kamer met Heinrich Himmler moge opgesloten worden. En dat meen ik.
Maar het is een mooie uitgave en nu gij er in geslaagd zijt de Jezuïeten er propaganda te doen voor maken, iets dat mij met groot jolijt vervuld terwijl de vlaamse linie het juist heeft over de “De loge en de literatuur” en de literatuur van de renegaten, nu is het succes verzekerd.

Uw toegenegen Gerard Walschap

De kritiek die Walschap kreeg van Victor Vriesland en Johan van der Woude maakte hem juist bijzonder strijdbaar. Dit verwoordde hij in de navolgende aan zijn uitgever.


Geachte heer van Kampen 18-1-49

De omstandigheden hebben mij gedwongen de lumineuze inval te hebben U te vragen voor de publicatie van mijn antwoord te zorgen. Zonder uw werkelijk grote ijver zou ik in Vrij Nederland geen enkele kans meer hebben en nu verwacht ik toch dat zij, met zoveel vuur van u aan de schenen, toch zullen bezwijken. Ik weet niet of gij mij op dat stuk kent , maar ik ben gereed om voor de in mijn ogen werkelijk belangrijke dingen waar het om gaat, te vechten tot het einde, tegen zovelen als er opkomen, zolang als ze willen en wat het mij ook moge kosten . En ze zullen ’t een en ’t ander te horen krijgen.
Het artikel van Vic van Vriesland dat ik deze morgen ontving, is wat anders. Op literaire kritiek antwoord ik nooit, dat is een vast princiep. Maar hij zegt in het openbaar zijn vriendschap op en dat moet ik in het openbaar beantwoorden. Ik zal het op een geheel andere toon dan voor Van Der Woude doen, was uit het hart, en een kopij zenden aan Elsevier en een aan U. ik denk dat gij daar niet zult moeten aandringen.
Waarvoor hebben al die dapperen Hitler dan laten verslaan door de Angelsaksers? Eenvoudig om met andere mensen te doen wat hij met hen deed en een nieuwe kaste van Herren te vormen? Het zal niet waar zijn. Maar enfin, ik ga niet tegen U beginnen, maar mijn krachten sparen voor de Kesselschlachten die op komst zijn. Me Batta schrijft vanmorgen dat zij 2000 ex bij drukt en vraagt mij de fouten te verbeteren. Dat zal ik doen met de stille wens dat het U en haar mogelijk zij wat dikker papier te bezigen. Mijn vrouw zegt dat zij nog 5 ex. Zwart en Wit verwacht. We hebben er tot nu toe twintig gekregen, die natuurlijk nog gemakkelijker weggaan dan ex. in de boekhandel.

Hartelijke groeten,

Gerard Walschap

Nieuwsgierig naar het werk van Walschap? De bibliotheek kan in deze behoefte voorzien. Maak er gebruik van, het is de moeite waard.

maandag 7 februari 2011

Vieze Pieter

Pieter Boddaert junior (1766-1805) werd ook wel de vieze Boddaert genoemd om hem te onderscheiden van zijn grootvader (1694-1760). Beiden waren advocaat en dichter maar daar houdt de gelijkenis dan ook mee op. De grootvader verkeerde in de hoogste kringen, was gerespecteerd en schreef stichtelijke verzen. Junior bezocht kroeg en bordeel, zat een jaar na zijn rechtenstudie in de gevangenis, niet als advocaat maar als bajesklant en schreef ontuchtige verzen. Na het Utrechtse spinhuis vertrok hij naar Amsterdam waar hij wijntje en Trijntje weer omarmde. Waar hij ook kwam, hij dichtte voor de vuist weg en zorgde dat hij op deze wijze in een karig onderhoud voorzag. Zijn gedichten zijn schalks, ondeugend, met een spottende ondertoon maar altijd gericht op dat ene doel. Boddaert kwam ongelukkig aan zijn eind. In beschonken staat botste hij tegen een lantaarnpaal, viel op het ijs van de gracht, brak zijn been en sprak de omstanders en de opgetrommelde chirurgijn in montere stijl al rijmend toe. Enige dagen later ging hij toch heen en liet ons een mooi oeuvre na. Iets meer dan tien dagen na zijn dood werd in een advertentie van de Amsterdamsche Courant al opgeroepen in te tekenen op 'De Nagelatene Poëtische en Prosaïsche Portefeuille' van Mr. Pieter Boddaert. Tot diep in de 19e eeuw werd er geadverteerd voor deze bundel getuige de advertentie van het Amsterdamsch Handels- en Effectenblad uit 1861 die voor het Victoriaanse tijdperk met een zekere vrijmoedigheid kopers probeert te trekken.
Dit boek is online te vinden in de super long tail 'Google books' want zo mag je deze hard disk van boeken wel noemen. Van 'Levensgeschiedenis van den vermaarden dichter Mr. P. Boddaert, benevens zijne poëtische en prozaïsche portefeuille' is een exemplaar uit 1827 in het Stadsarchief- en Athenaeumbibliotheek ter inzage met onder meer het gedicht Aan de teedere kunne. In 2006 heeft Hans Heesen een keuze van zijn gedichten voorzien van een nawoord en deze bundel kan worden aangevraagd in de bibliotheek.

AAN
DE TEDERE KUNNE

Beminnelijke jufferschap!
Uw beeld is in de hoogste trap,
‘t Volmaakste ooit door natuur geschapen;
Nochtans, daar niets volkomen is,
Bleef in uw lieve beeltenis
Ook ergens nog een vakje gapen.
Hieraan, hoe kan het anders zijn?
Gevoelt gij menigwerf een pijn,
Die oog en aangezicht doet blaken.
O schonen! komt bij ons om baat;
Wij weten een bijzondre raad,
Om 't gapend vakje dicht te maken.

dinsdag 18 januari 2011

Don't look now


De film Don't look now staat in mijn top tien van de beste films ooit gezien. De film pakte vanaf de eerste minuut, bracht me zo in verwarring dat ik tijdens het kijken de rode draad verloor maar het drama vol suspense bleef me intrigeren zelfs lang nadat ik de bioscoop verlaten had.
De film opent met het beeld van een Engels gezin op een rustige zondagmiddag, vader bestudeert dia’s voor zijn werk, moeder leest en de kinderen spelen buiten in een grote tuin met nevels.

Het dochtertje geheel in het rood gekleed valt tijdens het spel in de vijver en vecht voor haar leven. Op dat moment ziet de vader die een dia bekijkt dat de dia volloopt met een rode vloeistof. De vader rent naar buiten richting vijver. Tevergeefs zijn dochtertje is dood.
In de volgende shot zie je hetzelfde echtpaar in Venetië waar John een opdracht heeft gekregen om een kerk te restaureren. Laura de vrouw van John komt in een restaurant op het toilet in contact met een wonderlijk stel oude zusters waarvan er een blind is en die blijkt te beschikken over mediamieke gaven. De blinde vrouw zegt te voelen dat Laura zeer verdrietig is maar ze ziet ook dat Christine het dochtertje van Laura en John tussen hen in zit en straalt van intens geluk. Laura is opgetogen en vertelt het verhaal aan John die het wantrouwt. Midden in de nacht ontvangen John en Laura een telefoontje van de Engelse kostschooldirecteur dat ze zich geen zorgen hoeven te maken maar dat het met hun zoontje minder goed gaat en dat hij misschien moet worden opgenomen in het ziekenhuis. Laura boekt direct een vlucht naar Engeland. Een prachtige liefdesscene tussen John en Laura doorsneden met beelden van zich John en Laura die zich aankleden en hun vertrek op een luchthaven is hieraan vooraf gegaan. Later wordt duidelijk dat dit het laatste moment is dat John en Laura bij elkaar waren. John blijft achter in Venetië en een eerdere voorspelling van de blinde vrouw dat John ook mediamiek is en dat hem een vreselijk ongeluk zal overkomen, lijkt te worden bewaarheid als John tijdens de restauratie uit de nok van de kerk valt en zich met moeite weet vast te houden aan een touw. Om tot rust te komen wandelt hij door Venetië en ziet hoe een verdronken vrouw uit een gracht wordt getakeld. Even later op een veerboot ziet hij een zwarte gondel met een doodskist aan het oog onttrokken door een zwart doek en daarachter rechtop staand Laura en de twee oude zusters, allen in zwarte rouwkleding. Hij roept en schreeuwt maar ze horen hem niet.
Later die avond in een duister Venetië, ziet John een rode schim in het water weerspiegeld, hij hoort voetstapjes en achtervolgt een figuurtje in het rood gekleed en hij roept de naam van zijn dochtertje. Na een wilde achtervolging door nauwe steegjes, smalle bruggetjes en pleintjes kan het in rood gekleed figuurtje op een hofje geen kant meer op, draait ze zich om maar is het niet zijn dochtertje maar een oud mismaakt gedrocht dat met een hakmes op hem inhakt. In mijn herinnering gilden alle bezoekers in de volgepakte bioscoop als 1 man iets wat je alleen beleeft bij een achtbaan.
De film besluit met de beelden van de zwarte gondel waarop vrouw Laura, de twee zusters en een doodskist onder een zwart doek staat.
Het drama is door regisseur Nicolas Roeg bijzonder knap weergegeven, in stukjes opgeknipt waardoor tijd en verhaallijn niet meer chronologisch zijn, met veel gevoel voor timing en spanningsopbouw wordt het verhaal gedoseerd gebracht. De film laat zich zien of lezen als een spannende roman.
De film is gebaseerd op het gelijknamige verhaal van Daphne du Maurier die behalve historische verhalen ook een aantal horror verhalen zoals The Birds schreef dat verfilmd is door Alfred Hitchcock. De in druk gepubliceerde verhalen zijn nog niet vergeten maar een dun laagje stof begint zich op het omslag van de bundel “Vijf griezelverhalen” af te tekenen.

donderdag 13 januari 2011

De pen in gal gedoopt

Geboren in 1824 in Malakka als kind van een Nederlandse jurist en een Duits-Thaise moeder wier familienaam zijn tweede voornaam werd, stapte Herman Neubronner van der Tuuk (1824-1894) na een aanvankelijke rechtenstudie in Groningen over naar Leiden waar hij Oosterse talen en Maleis studeerde.
Op voorspraak van twee professoren, kreeg hij van het Nederlandsch Bijbelgenootschap de opdracht een Batakse taal te bestuderen en er de Bijbel in te vertalen om de toenemende Islamisering van Sumatra een halt toe te roepen .
Om de taal te leren woonde Van der Tuuk van 1851 tot 1857 tussen de Batak geen kleine prestatie omdat het gebied ontoegankelijk was, nog niet onder Nederlandse invloed stond en er kannibalisme heerste. Na deze tijd vestigde hij zich enige tijd in Nederland om zijn onderzoeksmateriaal uit te werken en ging hij allerlei felle polemieken met geleerden aan.
In 1868 keerde hij terug naar Indië en woonde in een kampong in een bamboehut op Bali. Bezoekers die voor de geleerde kwamen waren verrast hem nagenoeg naakt aan te treffen slechts gekleed in een sarong die hij om de lendenen droeg. Het verhaal wil dat hij zijn bezoekers een soepterrien met geraspte kaasrestjes aanbood en bij weigering was men uit de gratie. Op zijn erf hield hij ezels die hij als lastdier beter geschikt achtte in het droge bergterrein dan paarden. Iedere gelegenheid nam hij te baat om de autoriteiten ervan te overtuigen ezels te houden, zo ook in een verslag over zijn woordenboek. Men liet hem weten dat dit niet thuishoorde bij een taalverslag. Hierop werd hij zo boos dat hij zijn directeur van Onderwijs, Eredienst en Nijverheid bestookte met onvriendelijke brieven waarbij hij zover ging dat hij een brief in potlood adresseerde aan de Directeur van Volksmisleiding, Hiernamaalse zaken en Veepest.
Hoewel van der Tuuk geen letterkundige is hij door zijn brieven bij een groter publiek bekend geworden. Rob Nieuwenhuys heeft de bundel “De pen in gal gedoopt” een keuze uit zijn brieven en documenten samengesteld. Dit boek is online te lezen en wie liever een ouderwets boek ter hand wil nemen die kan een aanvraag doen bij de bibliotheek.

vrijdag 7 januari 2011

Willem Wittkampf

De stadsschouwburg te Amsterdam houdt op 16 februari 2011 een Groot Interviewgala met tal van prominente interviewers als Paul Witteman, Matthijs van Nieuwkerk, Jeroen Pauw, Frenk van der Linden, Clairy Polak e.v.a.

Waarschijnlijk zijn alle grote interviewers van vandaag schatplichtig aan de nu bijna vergeten journalist Willem Wittkampf die ooit de grootvader van het interview in Nederland werd genoemd. Wittkampf publiceerde zijn eerste interview in 1957 in het bijvoegsel van het Parool dat hij tot 1972 zou blijven doen onder het half pseudoniem Willem. Zijn interviews werden omschreven als lange monologen waaruit de vragen waren gefilterd, met veel spreektaal en een prachtige beginzin waardoor je direct in het verhaal zat en die je nieuwsgierig maakte naar het verdere verloop.
"Ja maar hoor es - als u vraagt waarom ik als 'een-vou-di-ge kokkin' wél onmiddellijk begreep dat het mis was, toen Hitler aan de macht kwam ... ten eerste onderschat u geloof ik het vak van kokkin. 't Is de leiding hebben van de keuken." Zo introduceert Wittkampf een Duitse mevrouw.
Of de eerste zin van het interview van het bekende Amsterdamse naaktmodel Truus Trompert: “Een tijd geleden is er eens een verslaggeefster bij me geweest. Die schreef later in haar blad iets in de trant van: “Alvorens Truus Trompert ingaat op een voorstel, om model te staan, vergewist zij zich er steeds van dat het wel degelijk gaat om het maken van kunst. “ Dat is toch flauwekul? Ik ken de hele Amsterdamse kunstenaarswereld! Stel je voor dat ik ineens zou zeggen: “Wacht even! Mag ik mij misschien vergewissen?”
Maar misschien wilt u zich wel vergewissen van de stukjes van Willem Wittkampf raadpleeg dan de catalogus van uw bibliotheek en doe een aanvraag.

dinsdag 28 december 2010

Stokje doorgegeven

Deze blog is het geesteskind van mijn collega Tineke die binnen onze organisatie van functie verandert en mij (René) vroeg deze blog voort te zetten. Een grote eer die ik met plezier aanvaard. 

Ditmaal aandacht voor Havank (1904-1964) een bijna vergeten schrijver die eens immens populair was met zijn detective serie van de Franse inspecteur monsieur Charles C.M. Carlier, alias de Schaduw in dienst van de Sûreté National. De populariteit ging zo ver dat na Havanks dood uitgever Bruna aan Pieter Terpstra , journalist van de Leeuwarder Courant aan wie Havank in een interview de plot had verteld van zijn laatste nog niet uitgegeven manuscript, vroeg om het schrijven van deze lucratieve serie voort te zetten. En zo gebeurde het. Terpstra voegde nog eens 19 avonturen toe aan de 29 boeken die al verschenen waren. Een hoge productie maar het publiek vrat het en vele miljoenen exemplaren in de bekende Zwarte Beertjes omslagen gingen over de toonbank.
Pieter Terpstra had mentaal moeite om Havank klakkeloos te imiteren en wilde het liefst met een eigen detective komen. Die kwam er uiteindelijk. Hoofdfiguur werd rechercheur Eelco Drenth, in alles een tegenpool van de Schaduw, werkend in Zwolle, wonend aan de IJsselkade in Kampen, protestants en geboren in het Drentse Havelte. In zijn boek 'Hoogst merkwaardig : alles over Havank" arrangeert Terpstra een ontmoeting tussen de Schaduw en Eelco Drenth en lossen beiden en passant een dubbele moordzaak op op basis van vooral intuïtie. Over Eelco Drenth verschenen 2 titels ‘Staphorster spionnetjes’ en ‘De man in het zwarte water’. Er stond nog wel een derde boek op stapel ‘In Steenwijk: uitstappen’ maar deze is voor zover bekend niet gepubliceerd.

Hans van der Kallen (H. van K.) wiens initialen ietwat verbasterd een klankweergave zijn van Havank groeide op in Leeuwarden in een katholiek gezin. Hij had veel affiniteit met spoken en bleef zijn hele leven een bewonderaar van Charles Dickens en Engeland. Na de publicatie van zijn eerste boek ging hij naar Parijs en maakte hij tochten naar Bretagne en de Provence waar veel avonturen van de Schaduw zijn gesitueerd. Bij het uitbreken van de oorlog was hij in Parijs, vertrok later naar Engeland waar hij verbindingsofficier werd van Vrij Nederland en trouwde in 1946 met Cynthia Vickers die drie kinderen had uit eerdere relaties. Hun relatie was niet goed. Van der Kallen verbleef veel in hotels en op allerlei gelegenheidsadressen. Hij had last van depressiviteit en zocht vergetelheid in de drank. Op de Dekemastate een landhuis even buiten Leeuwarden waar hij verbleef voor het schrijven van een nieuw boek, vatte hij een platonische liefde op voor de 18e eeuwse Anna-Maria Burmania die op een schilderij was afgebeeld. Zijn liefde ging zover dat hij een foto van het schilderij meekreeg in zijn kist.
Vraag de boeken van Havank aan via de bibliotheek.

woensdag 15 december 2010

Boudewijn van Houten (1939)

Van bezoeker Renzo Verwer kreeg ik de tip om aandacht te besteden aan Boudewijn van Houten. Deze bezoeker heeft zelf al vaker over deze auteur geschreven, maar vooruit: het is een vergeten auteur en zijn boeken zijn nog steeds te leen in de bibliotheek. Volgens Cultura 'hangt rond schrijver Boudewijn van Houten tot op de dag van vandaag een geur van verrotting, louche praktijken en slechte literatuur. Veel zal te maken hebben met de rol die zijn vader in de oorlog heeft gespeeld en de kwestie waarbij Boudewijn van Houten de PTT heeft opgelicht'. Zijn roman Onze hoogmoed gaat over deze affaire. Volgens zijn biografie op DBNL heeft hij ook in Overijssel gewoond. En inderdaad: de database Overijssel in romans en verhalen leverde een treffer op, namelijk het verhaal Jezus in Borculo uit het boek In de schaduw der rijken (1976). De inhoud klinkt spannend:
Verhaal over een veelgeplaagd jongetje dat bibliotheekassistent wordt in Deventer en daar met een bakkerszoon een sekte opricht die tegen geweld is, maar door het doen en laten juist veel geweld oproept. Als ze het vrijheidsmonument op de Dam in Amsterdam tot hun vaste verblijfplaats kiezen, wordt dit 'hart van Nederland' schoongeveegd door beroepsmilitairen. Volgens de biografie van van Houten op DBNL is literatuur niet veel meer dan 'praten' over het leven. In het boek Lichtzinnig leven wordt het fenomeen intello, een type betweterige wijsneuzige figuur met pseudo-intellectuele trekjes, verpletterd onder een niet aflatende regen van minachtende opmerkingen. Zie ook zijn bijdrages aan Het Nieuwe Journaal. Vraag de boeken van Boudewijn van Houten aan via de bibliotheek.