zondag 6 november 2011

Theun de Vries (1907-2005)

Van Hans Krol [HK], verwoed verzamelaar van alles wat met bibliotheken te maken heeft, ontving HetVergetenBoek een uitgebreide beschrijving over Theun de Vries die in zijn jonge jaren directeur van de bibliotheek Sneek is geweest. Dit ter aanvulling van de post 'Help Mee'van 16 februari 2011.

Theun de Vries (1907-2005) romanschrijver.
Werkte van 1929 tot 1936 als assistent bij de openbare leeszaal van Sneek na het assistentsdiploma in 1929 in Utrecht te hebben behaald. Omdat ik over het stamboek van de Sneekse bibliotheek beschik uit de periode dat Theun de Vries daar werkzaam was ga ik [HK]wat dieper op diens bibliotheekloopbaan in. Dr. Overdiep, zijn leraar Nederlands raadde Theun de Vries in 1927 aan middelbaar Nederlands te gaan studeren. Omdat vooral het linguïstische onderdeel hem tegen stond zag hij hiervan af. Volgens Overdiep bleef in dat geval voor zijn persoon nog maar één ding over: het volgen van een bibliotheekopleiding. Als leerling ging hij toen stage lopen bij de openbare leeszaal in Apeldoorn. “Daar heb ik de grondbeginselen van het bibliotheekvak geleerd.” Vervolgens genoot hij het voorrecht om zijn volgende stage te volgen aan de openbare leeszaal in Hilversum, welke instelling in die tijd landelijk een goede naam had. “Veel van deze ‘Gooiers’ [intellectuelen en kunstenaars] bezochten de bibliotheek, die op literatuurgebied werkelijk een schatkamer was. Overigens ben ik daar voor het eerst en heel uitgebreid in aanraking gekomen met de jonge Sovjet-literatuur.” In 1929 solliciteerde De Vries naar een functie als tijdelijk assistent bij de openbare leeszaal van Sneek en werd hij aangenomen en even later werd hij vanwege een nieuwe vacature in vaste dienst aangesteld. In 1930 vroeg hij het bestuur studieverlof aan voor het volgen van de directeurscursus in Den Haag. Blijkens een bericht in ‘Bibliotheekleven’ van 1931, blz. 134, is aan T.U. de Vries te Sneek als enige man
het directeursdiploma uitgereikt evenals aan 11 dames.
Dat diploma werd gehaald, maar dr. P.C.Molhuysen, directeur van de Koninklijke Bibliotheek en inspecteur van het openbaar bibliotheekwezen was verre van enthousiast, gelet op diens uitspraak “U bent dichter en dichters zijn incapabel voor zakelijke dingen. Wij achten u volledig ongeschikt om ooit directeur van een bibliotheek te worden. Gaat u maar naar Sneek terug, want daar zult u niet te veel schade kunnen aanrechten.” Theun de Vries voegde daar in een gesprek met Hans van de Waarsenburg aan toe: “Intussen bleek ik een heel goede bibliothecaris te zijn; ik heb tussen 1932 en 1934 bijvoorbeeld de hele bibliotheek in Sneek opnieuw gecatalogiseerd. Overigens was mijn opleiding in Den Haag voor mij een lichtpunt, want zo kon ik een jaar weg uit Sneek. Ik was trouwens de enige man die deze directeurscursus volgde, de rest van het gezelschap bestond uit meisjes, die uit alle delen van het land afkomstig waren. Ze behandelden mij erg collegiaal en voor hun lieve toenaderingen werd ik behoed door het feit dat ik in Apeldoorn Aafje Maria Vernes had, mijn meisje. Zij was voor mij het beschermende denkbeeld en een hele grote troost. Toen ik in Sneek terugkwam, was zij de enige bij wie ik heul en soelaas kon vinden.”
18 juli 1931 vroeg Theun de Vries bij het bestuur eervol ontslag aan wegens gezondheidsredenen. Echter op 26 augustus trok hij zijn ontslagaanvrage in omdat zijn ouders zich zeer tegen zijn terugkeer in het ouderlijk huis te Apeldoorn hadden verzet. Tevens verzocht hij goedkeuring voor het feit dat hij tijdelijk zijn intrek had genomen ten huize van de conciërge der Leeszaal. Het bibliotheekbestuur stemde in met een en ander.
Op 24 augustus 1931 is het volgende familiebericht geplaatst in de krant Handelsblad:

Van 1924 tot 1931 was A.H. de Vries directeur van de openbare leeszaal, in 1933 opgevolgd door mej. G.Y.Vonk.
Op 1 augustus 1933 verzocht Theun de Vries schriftelijk aan het bestuur verlof om een congres van schrijvers gedurende een maand van half september tot half oktober in Moskou bij te wonen. “De bedoeling is, het Nederlandsche schrijvers mogelijk te maken, zich persoonlijk op de hoogte te stellen van de toestand in Rusland, eventueel met het doel daarover te schrijven.” In een bestuursvergadering van 14 augustus ontstond hierover een brede discussie en De Vries legde uit dat het om een ‘internationaal schrijverscollectief’ gaat van revolutionaire auteurs, niet allemaal zuivere communisten. Hij verklaarde verder desgevraagd dat bijwoning weliswaar geen voordeel zou hebben voor de Sneekse leeszaal. Hierna bleek het bestuur verdeeld, maar dankzij de voorzitter werd in meerderheid met het verzoek ingestemd. Voor de secretaris was dat aanleiding te bedanken als bestuurslid omdat “hij niet wil meewerken aan het propagandistisch streven van de Sovjet regering.” Uiteindelijk is door De Vries afgezien van zijn reis naar Moskou. Aan de directrice had hij vooraf medegedeeld liever niet te zullen gaan wanneer geen beslissing met eenparigheid kon worden genomen.
In 1934 ontving De Vries van Maxim Gorki een persoonlijke uitnodiging een congres van Sovjet schrijvers bij te wonen, maar omdat anders zijn functie in Sneek in het gedrang zou komen zag hij ook daarvan af.
In eerder genoemd stamboek van de bibliotheek is de roman ‘Stiefmoeder aarde’ uit 1936 als het 29.008ste boek ingeschreven, bij de boekhandel aangeschaft voor ƒ 3.90. Publicatie hiervan gaf aanleiding tot de zoveelste botsing tussen Theun de Vries en het leeszaalbestuur en de schrijver nam, zoals hij later schreef, opgelucht afscheid van “het miserabel kleinestadsbestaan” om vervolgens in Amsterdam te worden van het communistische partijorgaan ‘De Tribune’. Eenmaal woonachtig in de hoofdstad zijn nog verscheidene schenkingen van Theun de Vries in het bibliotheekbezit opgenomen, allemaal met een duidelijk politieke signatuur, zoals ‘Lenin’ door J.W.Stalin, ‘Grondslagen van het tweede vijfjarenplan’, ‘Het communistisch manifest’(Karl Marx en Friedrich Engels). Het aanschafbeleid van Sneek kan men allesbehalve eenzijdigheid verwijten. Veel letterkunde en allerlei ontwikkelingsboeken waarop niets valt af te dingen. Ook ‘Mein Kampf’ van Adolf Hitler, naast stichtende werken van of over figuren als Tagore, Krishnamurti, Gandhi, Schweitzer, Buskes, Einstein en paus Pius XI.
Boeken als ‘Doctor José droomt vergeefs’ (1933) en ‘Eroica’ (1934) zijn als ‘geschenk’[van de auteur en assistent bibliothecaris] genoteerd,
In 1936 diende Theun de Vries zijn ontslag in. Het jaarverslag maakte hier melding van met de volgende woorden. “Na 7 jaar als assistent aan de Leeszaal verbonden te zijn geweest, vertrok de heer de Vries half januari naar Amsterdam. Als een vlug en voortvarend werker heeft hij veel voor de Leeszaal gedaan, terwijl van zijn uitgebreide boekenkennis menigeen heeft kunnen profiteren.” Een half jaar later stuurde hij nog een bedankbriefje aan het bestuur.
Over Theun de Vries is in maart 2011 het eerste deel van een uitvoerige biografie verschenen van Jan van Galen: Theun de Vries – Een schrijversleven. 1907-1945. Uitgeverij Aspekt. Voorts kwam in 2010 een fraaie boekuitgave uit door Albert H.Pasma: 100 jaar bibliotheek Sneek, waarin uiteraard Theun de Vries ter sprake komt evenals o.a. het belangrijke bestuurswerk van dr. L.Hertzberger van 1910 tot 1922.
In 1993 sprak ik [HK] de schrijver in de openbare bibliotheek van Heemstede toen Felix Rottenberg hem het eerste exemplaar overhandigde van een boek door de toentertijd in Heemstede woonachtige Ruud Vreeman: De factor arbeid: werkende mensen in de letteren.
Theun de Vries sprak toen met veel nostalgie over zijn jaren als bibliothecaris in Sneek.

woensdag 26 oktober 2011

Vlaamse bibliothecarissen en schrijvers

Ditmaal aandacht voor Vlaamse bibliothecarissen en archivarissen die zich op het letterkundig pad begaven. Het zijn er vele. Als een rode draad loopt bij een aantal van hen het Vlaams bewustzijn, Wo I en de Antwerpse bibliotheek waar velen een baan hadden. Er zijn (on)bekende schrijvers bij waar ik op getipt ben door Hans Krol die zo vriendelijk was om zelf te zorgen voor een korte beschrijving waarbij hij niet schroomde om voor hulp bij Vlaamse collega's aan te kloppen.

Prosper Arents (1889-1984), Antwerpse bibliothecaris schreef korte verhalen die volgens het Lectuur Reportorium uit 1936 'amoreel en onbruikbaar' zijn. Arents is meer bekend door zijn goed gedocumenteerde bibliografieën die hij samenstelde over onder meer Guido Gezelle, Lode Baekelmans en Pieter Paul Rubens. [HK]








Lode Baekelmans (1879-1965) werkte als bibliothecaris van een volksbibliotheek in de Blindenstraat te Antwerpen die onder zijn bezielende leiding al snel een modelbibliotheek werd, na enige tijd promoveerde hij tot stadsbibliothecaris van de stad Antwerpen. Zijn bekendste boeken als schrijver zijn Tille, meneer Snepvanger en Het rad van avontuur. Zowel in de letterkundige - als de bibliotheek wereld was hij gezien en gevraagd. Hij bekleedde tal van vele bestuursfuncties en zat vele congressen en symposia voor. Hij stierf op 11 mei 1965.





Jaak Boonen (1875-1944) was een voorbeeldig student en zijn ouders zagen in hem een toekomst als priester. Hij werd echter hulpbibliothecaris bij de kamer van Volksvertegenwoordigers en schreef voor koning Albert redevoeringen. Boonen was niet alleen doctor in de wijsbegeerte en letteren, maar ook hoogleraar en letterkundige. Hij schreef verscheidene bundels folkloristisch getinte verhalen en maakte veel vertalingen o.a uit het Frans en het Engels. [HK]





Herman Brusselmans (1957) ging na zijn studie Germaanse filologie werken in de bibliotheek van een ministerie. Over deze tijd schreef hij de roman 'De man die werk vond' dat gaat over de zonderlinge bibiothecaris Louis Tinner, beheerder van een recreatiebibliotheek, dagdromend over meisjes, bladzijden uit boeken scheurt, klanten uitscheldt etc. Brusselmans is een succesvol veelschrijver die niet te beroerd is om collega's onder uit de zak te geven. Publieke optredens vallen door zijn humor en provocaties bij vooral jonge mensen in de smaak.

Guido Cloet (geb. 1953)
Dichter die in een kwart eeuw tijd een drietal bundels publiceerde. Hij is beheerder van het ‘Tabularium’ (Oude drukken en Archief) van de Leuvense Universiteitsbibliotheek (inf. Marcus de Schepper). [HK]







Eugene [Eugeen] De Bock (1889-1981) is een schrijver van literair-historische essays en van novellen en tevens directuer van uitgeverij ‘De Sikkel’. Hij trad op 1 januari 1912 als klerk in dienst van de stadsbibliotheek onder directie van Emanuel de Bom en werd in december 1918 ontslagen.







Jos Daelman is gegradueerde in de bibliotheconomie en in de wetenschappelijke en technische documentatie. Tot zijn pensionering in 1997 werkte hij als informatiedeskundige. Sinds 1994 is hij docent poëzie aan de Schrijversacademie te Antwerpen. Hij debuteerde in 1974 met de dichtbundel Land tussen zee en aarde. Behalve in de eigen taal schrijft en publiceert hij ook in het Engels, o.a. het in 1992 bij Fantom verschenen Letters from Sark and other places. [HK]







Servaes Dominicus Daems (1838-1903) was kanunnik van de abdij Tongerlo. Hij was leraar in de godgeleerdheid en bibliothecaris van de Norbertijner abdij. Hij schreef onder het pseudoniem Peeter Klein talrijke verhalen, gedichten en een roman. [HK]











Johan Daisne (1912-1978) staat door zijn enorme productie ook wel bekend als de Vlaamse Dostojevski. Hij introduceerde het magische realisme in de Nederlandse literatuur. Bekende werken zijn 'De man die zijn haar kort liet knippen', 'De trap van steen en wolken' en 'De trein der traagheid'. De laatste roman gaat over een bibliothecaris die een treinongeluk meemaakt waarbij de 'wet van traagheid'een rol speelt. Van dit boek is een film en een toneelstuk gemaakt. Daisne was met hart en ziel bibliothecaris onder meer in de openbare stadsbibliotheek te Gent.




Emmanuel De Bom (1868-1953) grossierde in tientallen pseudoniemen en schreef romans, biografieën, essays en kritieken. Tot zijn bekendere werken behoren Wrakken uit 1898 en Het levende Vlaanderen uit 1917. In de stad Antwerpen werd De Bom bibliothecaris, maar werd in 1918 na de Eerste Wereldoorlog om zijn flamingantische ideeën ontslagen. Pas in 1926 werd hij dankzij onder meer August Van Cauwelaert in eer en functie hersteld.





Frits Francken pseudoniem van Frederik Edward Clijmans (1892-1969) was assistent bibliothecaris (1919-1934) aan de Stedelijke Volksbibliotheek te Antwerpen schreef journalistieke bijdragen voor diverse kranten en maakte naam met goede romantische en realistische novellen. [HK]








Maurice Gilliams (1900-1982) was een Vlaams schrijver en dichter. Hij trouwde met Gabriëlle Baelemans maar al snel na hun huwelijk leefden ze gescheiden. Zijn werk is autobiografisch waarvan de roman Elias of het gevecht met de nachtegalen de bekendste is. De thema's waar hij over schreef waren zijn mislukt huwelijk en zijn verloren jeugd. Gilliams was jaren wetenschappelijk bibliothecaris van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen.







Frans Gittens (1842-1911) schreef onder pseudoniem van Dick ‘o the Flannel, was lid van de Antwerpse gemeenteraad en hoofdbibliothecaris van de Stadsbibliotheek (1903-1911). Hij schreef toneelstukken in de Nederlandse, Franse en Engelse taal. [HK]







Constant Jacob Hansen (1833-1910) geboren te Vlissingen was een Vlaams schrijver, boekhouder en journalist. Zijn vader was van Deense afkomst en zijn moeder was een Zeeuwse. Hansen werd uiteindelijk directeur (stadsbibliothecaris) van de Antwerpse bibliotheek. Hij schreef gedichten, publiceerde artikelen over de 'Dietsche' taal en stam en was lid van de Vlaamse beweging. [HK]



Emmanuel Hiel (1834-1899) schreef onder pseudoniem van G. Hendrikssone gedichten en oratoria. Vanaf 1869 was hij bibliothecaris van het Koninklijk Nijverheidsmuseum in Brussel. [HK]








Karel Jonckheere (1906-1993) was een veelzijdig schrijver met een poëtische pen, schreef gedichten, reisverhalen, novellen essays en kritieken. In 1946 werd hij benoemd als rijksinspecteur van de openbare bibliotheken voor West-Vlaanderen, tot 1953. In Nederland werd hij bekend als voorzitter van het satirische televisieprogramma “Hou je aan je woord” waar ook Hella Haasse, Godfried Bomans en Dr. Victor E. van Vriesland optraden. Jonckheere onderscheidde zich in dat programma als taalvirtuoos en inventief man. [HK]



Alice Nahon (1896-1933) was een bekend en gevierd dichteres in Vlaanderen. Op haar achttiende werd ze verpleegster en hielp onder erbarmelijke omstandigheden de soldaten. Toen ze zelf ziek werd is ze verkeerd gediagnotiseerd en meende men dat ze aan tbc leed in plaats van een chronische bronchitis. Bij de geboorte van Gerard Walschaps zoon Hugo was Alice kraamzuster. Nahon werd in 1927 bibliothecaris in Mechelen maar moest haar baan opzeggen in 1932 en overleed niet lang daarna.




Willem Putman (1900-1954) kreeg als zoon van vader Palmer Putman die toneeluitgever, boekhandelaar en schrijver was van vooral volkse toneelstukken, het toneelschrijven met de paplepel ingegoten. Hij was een bijzonder verdienstelijk en productief toneelschrijver. Van 1926 tot 1944 was hij inspecteur voor openbare bibliotheken in West-Vlaanderen. [HK]






Ward Ruyslinck (1929) is een Vlaams schrijver en prijkte veelvuldig op boekenlijsten van scholieren met roman 'De ontaarde slapers' en 'Wierook en tranen'. Zijn vader was bibliothecaris bij een oliemaatschappij en hij trad in zijn voetsporen toen hij adjunct-bibliothecaris werd van het prentenkabinet van het Plantijn-Moretusmuseum te Antwerpen. Zijn werk is vertaald in twaalf talen, verfilmd en voor het toneel bewerkt.






Ward Schoutenden (1894-1957) was in Wo I frontsoldaat. Hij is auteur van een aantal uitstekende toneelstukken en was in het dagelijks leven bibliotheekinspecteur in Belgisch Limburg. [HK]











Theodoor Sevens (1848-1927) Dichter en schrijver van kinderliedjes. Was behalve hoofdonderwijzer ook werkzaam als archivaris van Kortrijk. In 1958 is de openbare bibliotheek van Kinrooy vernoemd naar haar beroemde dorpsgenoot Theodoor Sevens. [HK]





Antoon Thiry (1888- ) was sedert 1921 enkele jaren bibliothecaris te Tiel, in Nederland. Hij schreef kleine stadsnovellen die in de letterkundige kritiek goed werden ontvangen wat niet van zijn romans kan worden gezegd. [HK]








Jan Van Beers (1821-1888) schreef zijn eerste dichtbundel 'Jongelingsdromen' in 1853. Van 1844 tot 1849 was hij hulpbibliothecaris in de Stadsbibliotheek van Antwerpen. Hij was Vlaamsgezind en een groot bewonderaar van de Nederlandse dichter Tollens. Hij trouwde met Hendrika Mertens, dochter van de hoofdbibliothecaris, Frans-Hendrik Mertens. In 1852 werd hun zoon Jan van Beers jr. geboren die zich zou ontwikkelen tot een bekend societyschilder. [HK]







Frans Jozef Peter Van den Branden (1837-1922) schreef letterkundig-historische werken en toneelstukken en was stadsarchivaris van de Stadsbibliotheek Antwerpen. [HK]










Prudens Van Duyse (1804-1859), leraar aan het Atheneum en Akademie te Gent en sedert 1838 stadsarchivaris. Hij beschikte over een ongewoon improvisatietalent wat hem tot een beroemd gelegenheidsdichter maakte. Zijn dichtbundels kenmerken zich door een sterke lyriek en spontane gevoelens. [HK]







Albert Korneel Jozef Van Hoogenbemt (1900-1964), dichter en schrijver. Hij schreef een roman over een Verlaine-achtige persoonlijkheid met een rusteloze Bohemien natuur. Vanaf 1 juli 1948 (tot 1968) werkzaam bij het Ministerie van Onderwijs in de functie van hoofdinspecteur voor openbare bibliotheken en volksopleiding. [HK]









Gerard Walschap begon aan een studie voor priester en verruilde dat al snel voor een schrijverschap bij een weekblad . Later begon hij gedichten, toneelstukken, novellen en romans te schrijven. Zijn werk was in het katholieke België voor de WO II zeer omstreden en werden geplaatst in de beruchte index die ook voor bibliotheken gold. Walschap vocht tegen deze hypocrisie en werd uiteindelijk een gelauwerd auteur. In 1940 werd hij benoemd tot inspecteur van de openbare bibliotheken.






Jan Frans Willems (1793-1846) was activist en wordt gezien als de ‘Vader van de Vlaamse Beweging’. Hij schreef gedichten hymnen en was van 1815-1821 hulparchivaris van het Stadsarchief Antwerpen. [HK]







Emiel Willekens (1922-2009) was tijdens zijn leven onder meer directeur van de stadsbibliotheek Antwerpen, directeur van een middelbare opleiding voor bibliotheekpersoneel en op tal van terreinen actief. Hij schreef gedichten en biografieën over o.a. Hendrik Conscience, Karel Cuypers en Emanuel Hiel. In literaire tijdschriften publiceerde hij over Willem Elsschot, Knut Hamsum en Alice Nahon . [HK]

donderdag 16 juni 2011

Wie was D. Coene

D. Coene is een Amsterdamse uitgever die begin 20e eeuw een klein aantal boeken uitgaf. Op internet is er weinig aanvullends over hem te vinden. Er is iets ongerijmds aan deze uitgever. Zijn boeken zijn juweeltjes van versier- en boekbindkunst. Chris Lebeau, Wilhelmina Drupsteen en J.B. Heukelom die toch tot het crème de la crème van de kunstenaars uit die tijd behoorden, werkten mee aan zijn boeken. Zijn auteurs daarentegen krijgen (bijzonder) slechte kritieken. In het tijdschrijft De Boekenschouw, 6e jaargang 1912-1913, krijgt Antoine Barkeij, de schrijver van ‘Het onzichtbare’ er van langs met de volgende kritiek: “Eerlijk gezegd, ik begrijp het boek niet ! Het is duidelijk genoeg dat de schrijver iets hekelt : maar wat, waarom . , . enz.? Inhoud : een scheikundige ontdekt een stof, die voor eenigen tijd het individu, dat haar inneemt, onzichtbaar maakt. De Chemicus sterft ... zijn praeparaat wordt onbewust gebruikt door een dominee die daarna voor de oogen zijner hoorders voor een poos verdwijnt, ofschoon men zijn stem blijft hooren. Eveneens gaat het met den burgemeester. Het volk roept „mirakel" enz. Nog eens, ik begrijp de bedoeling niet ; maar zooals het boek er ligt zal het niemand hinderen, en waarschijnlijk ook niemand vermaken. A. GIELEN.
Ook Theo Thijssen kraakt een schrijver uit Coene's fonds, G. van der Hoeven, auteur van onder meer het Bloemenkindje:
“Als dit boek in de bibliotheek was, zouden de kinderen het noemen: het malle stippeltjes boek. Het is een ‘modern sprookje.’ Dreunend dondergekraak breekt knetterend en hol rommelend los, boven het naargeestige, sombere woud ... Hu! ... een felle lichtstraal! ... Krak-krak! krrràk!!! Bòmmm!!!! ... De helft van het verhaal bestaat uit stippeltjes. Ik onderstel, dat de auteur zulks doet, om den lezer na elk mal gedeelte gelegenheid te geven tot uit-lachen. ‘Telkens nog flikkert het weerlicht ... Rommelend en bommelend sterft weg de zware donder .... (twee regels stippels.) Soms staat midden tusschen de stippels, een niet-modern zinnetje, dat dan bijzonder raar doet:
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Onweer en stortregen namen in kracht toe
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Heusch, 'n goed mensch, die G.v.D. Hoeven, maar hij of zij had niet ‘modern’ moeten doen. THIJSSEN.”


Ook August Heyting een andere schrijver van Coene die politieke geschriften en gedichten schreef, wordt door Joris Eijnatten in een Bilderdijk studie gekarakteriseerd als een ‘mislukte, rechts-nationalistische literator’.

Ja met de inhoud van Coene’s fonds lijkt het goed mis te zijn maar de verpakking is des te beter. Twee boeken uit dit kleine fonds zijn in het Geheugen van Nederland opgenomen, het boek 't Poëetje in blank perkament met goud bestempeld en het sprookje Sneeuwwitje prachtig geïllustreerd met Art Nouveau tekeningen van Wilhelmina Drupsteen. Op het Duitse ebay is een reclame etiket te vinden van D. Coene uit de Nicolaas Beetstraat 128. In de 19e eeuw was het niet ongewoon dat boekbinders een klein papieren etiketje in een der onderhoeken van het voor- of achterplat van een boek plakten. Het dook op in de jaren 1840 tot omstreeks 1890. Daarna is het uit de mode en houdt een enkele boekbinder zich aan deze traditie. Misschien was Coene een boekbinder met contacten in de kunstenaarswereld die met een slechte neus voor schrijverstalent, zich begaf op het uitgeverspad. Hoe het ook zij, Coene blijft intrigeren.

Fonds D. Coene:
De wonderwereld : sprookjesboek
Dähnhardt, Oskar / Coene / 1908

Bloemenkindje : sprookje van goed en kwaad Hoeven, G. van der / Coene / 1906 met tekeningen D. Coene en bandontwerp J.B. van Heukelom.

De groenenkanker aan de universiteiten : een nationaal gevaar : een woord ter bestrijding en genezing
Heyting, A.T.A. / Coene / 1910

Poëetje : de gang van een menschenziel
Hack, Jeanne / Coene / 1907

Liederen en hymnen
Heyting, August / Coene / 1914 Bandontwerp Chris Lebeau

Van dood en leven
Heyting, August / Coene / 1920 Bandontwerp Chris Lebeau

De reien van Vondel : met talrijke esthetische aanteekeningen
Vondel / Coene / 1910 Bandontwerp Chris Lebeau

"'t Partijgedoe" : gematigd onverschillig beschouwd
Ravesteyn, Henk / Coene / 1909

Sneeuwwitje Hoeven,
G. van der Hoeven / D. Coene / 1906 Bandontwerp en tekeningen door W.C. Drupsteen

ABC voor mijne kleinen
Hildebrandt, Marie / D. Coene / 1909

Hollandsch strand
Heukelom, J.B. / D. Coene / 1908

Asschepoester
Hoeven, G. van der / D. Coene & Co. / 1907

Het onzichtbare
Antoine Barkeij / D. Coene / 1912

Diverse Jaarkalenders met tekeningen van Chris Lebeau

zondag 5 juni 2011

Betty MacDonald (1908-1958)

Soms delf je een vergeten boek op. Ditmaal het boek ‘Iedereen kan alles’ van Betty MacDonald (1908-1958). Op Marktplaats werd het aangeprezen tegen een schappelijke prijs. Het boek is in 1951 uitgegeven door P.N. van Kampen, vertaald door Lex Gans en versierd met tekeningen van Fiep Westendorp. Ik was al langer op zoek naar deze titel omdat ik vermoedde dat de oorspronkelijke pentekening uit het boek in mijn bezit is. Ik wilde dit graag bevestigd zien en probeerde het boek te lenen in een bibliotheek maar onze nationale catalogus Picarta en zelfs de grootste bibliotheekcatalogus ter wereld Worldcat gaven voor het lenen van de Nederlandse uitgave niet thuis.

Het boek, keurig verpakt werd door de post bezorgd. Elk van de 17 hoofdstukken opent met een tekening van Fiep Westendorp in de haar karakteristieke stijl, kinderen met wipneusjes, bolle wangetjes en koddige beentjes, oudere dames met benen als luciferstokjes die beschikken over een zekere kwiekheid. Pas bij hoofdstuk 17 vond ik ‘mijn’ tekening in het boek. Het gaf me een wonderlijk gevoel.


Wie was Betty MacDonald? Betty’s was de dochter van de mijnbouwkundig ingenieur Bard die overleed toen Betty 13 jaar was. Ze woonde een groot deel van haar leven in Seattle. Betty was de op een na oudste uit een gezin van 5. Haar oudere zus Mary was de ideeënrijke motor die met haar overwicht op kinderen, Betty wist over te halen tot soms (heel) gevaarlijke spelletjes.
Betty trouwde op 20 jarige leeftijd met de 13 jaar oudere Robert Heskett die na zijn gevechten aan het front in WO I, leed aan een posttraumatische stress stoornis. Heskett mishandelde haar en dreigde haar te verminken of in brand te steken. Samen met haar 2 jonge dochtertjes vluchtte ze bij hem weg, een onzekere toekomst tegemoet tijdens het hoogtepunt van de Depressie. Ze werd opgevangen in het liefdevolle gezin van haar moeder. Zus Mary (links op foto, rechts Betty) was inventief, beschikte over een uitgebreid sociaal netwerk en wist niet alleen haar familieleden maar ook haar vrienden aan werk te helpen. Mary bezat de gave om mensen te overtuigen en haar motto was ‘iedereen kan alles’ dat glod ook voor de verlegen Betty die geen kantoorervaring had. Ze wisselde bijna om de paar weken van werk en pakte van alles aan. Ondanks de armoede die er werd geleden stond haar ouderlijk huis open voor vrienden en kennissen die bleven eten, piano speelden, zongen en literair werk bespraken.
Betty trouwt tijdens de oorlog met Donald MacDonald. In 1945 krijgt ze een telefoontje van zus Mary die haar voor het blok zet door een afspraak te maken met een uitgever en Betty dwingt om te gaan schrijven. Al haar romans zijn autobiografisch, met vaart geschreven, humoristisch van toon. Haar eerste roman ‘The egg and I’ die over haar harde leven op de kippenfarm gaat, is een succes en een 1 miljoen exemplaren worden in een jaar tijd verkocht. De volgende roman is ‘Iedereen kan alles’ en gaat over haar ervaringen op de arbeidsmarkt. Ze schreef ook kinderboeken die populair werden zoals de Mrs Piggle-Wiggle boeken die onder meer door Maurice Sendak werden geïllustreerd. In 1958 overleed Betty op jonge leeftijd aan longkanker.
Haar zus Mary trouwde een Deense dokter en ging vervolgens ook schrijven want inderdaad ‘zij kon alles’.
Als schrijver lijkt Betty nog steeds geliefd, artikelen worden over haar geschreven en er is zelfs een fan site aan haar gewijd.

zaterdag 21 mei 2011

Annie M.G. Schmidt (1911-1995)

Het is honderd jaar geleden dat Annie M.G. Schmidt geboren is aan de Kerkring in Kapelle in het huis waar nu al bijna vijftig jaar de woninginrichting van Bas+Mar de Jager met klassieke design meubelen is gevestigd. Op de eerste verdieping van de oude pastorie heeft, volgens zeggen, Annie M.G. Schmidt in een ruit het woord LUL gekrast. Hiervoor was in het huis van de dominee moed of anders wel woede en frustratie nodig, om dit te doen. Annie had niet zoveel op met het strakke en saaie Kapelle uit die dagen. Ze ging na de lagere school naar de Rijks HBS in Goes. In de PZC is haar naam terug te vinden in de overzichten bij de overgang naar een andere klas. Na de HBS heeft ze nog een tijdje rechten gestudeerd omdat ze in het notariaat wilde maar uiteindelijk koos ze voor het vak van bibliothecaris. Ze werd bibliothecaris in de kinderleeszaal te Amsterdam en vervolgens directrice van de Vlissingse leeszaal te worden. Na de oorlog werkte ze bij de krant niet als journalist maar eerst als documentaliste, het meest saaie deel van het bibliotheekvak in haar optiek. Bij het bedrijfscabaret bij het Parool viel ze op door haar teksten en spoedig toonden Wim Sonneveld en Wim Kan interesse. Ze was veelzijdig, schreef gedichten, kinderboeken, musicals, cabaretteksten en hoorspelen. Er wordt gezegd dat Annie Schmidt weinig op had met Zeeland. In de Provinciale Zeeuwse Courant van 1952 staat een verslag van een optreden dat ze zelf een conference noemt. Dit valt erg in de smaak bij het publiek. Het lijkt wederzijds te zijn. In een interview in datzelfde jaar laat ze weten dat wanneer ze in Amsterdam een Zeeuwse kap ziet, ze de onbedwingbare lust heeft om de vrouw toe te spreken in Zeeuws dialect. Is dit alles gespeeld?
Annie Schmidt werkte samen met mensen met grote talenten die haar werk een extra glans gaven, zoals de tekeningen van Fiep Westendorp, de prachtige liedjes en melodieën van Harry Bannink en de uitvoeringen van Conny Stuart.

donderdag 28 april 2011

Voorschot op voorschot

Lang, heel lang geleden toen de Neanderthalers nog mensen waren, fietste ik met vriendin Gerda bijna dagelijks van mijn kamer in het centrum van Amsterdam via de Singel naar Amsterdam Zuid. Tijdens één van die ritten ontdekte ik op een stille herfstnacht voor de uitgeverij van Kampen een afvalcontainer boordevol puin, houten balken, planken en gruis. Uit nieuwsgierigheid keek ik in de container. Onder de brokken kalk, steengruis en uithardende stukken specie vond ik bundeltjes gevouwen bruin pakpapier. In het spaarzame licht van een naburige lantaarn was met moeite te lezen: Felix Timmermans. Het waren bundels met correspondentie tussen van Kampen en een auteur. Van Kampen verbouwde niet alleen maar ruimde ook zijn archief op.
Zolang de verbouwing duurde, keek ik bijna iedere avond in de container. Buurtbewoners dumpten in de bak hun eigen afval met etensresten, soms regende het en was alles vuil en nat maar dat weerhield me niet. Meestal ving ik bot maar soms zat er iets moois tussen zoals brieven van Willem Elsschot, Gerard Walschap en P.C. Boutens of oude Jugendstil bandontwerpen van boeken van Henri Borel en Augusta de Wit maar ook voor zover na te gaan onuitgegeven delen manuscript. Waarschijnlijk heb ik maar een klein deel kunnen bemachtigen, de zware balken met de grote brokken puin waren vaak een te groot obstakel om alles te kunnen afgraven. Op een keer terwijl ik bovenin de container aan stenen stond te rukken, werd ik gevangen in het felle schijnwerperlicht van een rondvaartboot en legde de gids aan de passagiers uit dat ik een Damslaper was die naar eten zocht. Dit werd in het Duits en Engels herhaald. Ik voelde me enorm betrapt. Later kreeg ik zelfs een concurrent in de container, een man met een Sherlock Holms hoed met voor- en achterklep en een tweed cape om de schouders. Beiden zaten we in de smurrie en tussen de brokstukken te wroeten zonder ooit met elkaar te spreken of elkaar zelfs maar te begroeten. Niet lang na de gebeurtenis met de rondvaartboot was de verbouwing ten einde want de container heb ik niet meer teruggezien.

Anders dan je misschien zou verwachten gaat de correspondentie niet over wonderschone zinnen of hooggestemde gedachten maar vooral over geld. Remco Campert (1929) vraagt in deze charmante brief om een ‘voorschot op een voorschot’.




Remco Campert
p/a Borgers
Meentweg 74
Bussum

Geachte heer van Kampen,

Hierbij doe ik u toekomen een gedeelte van mijn Veulen : voorpoten, kop en hals. Ik hoop u de rest spoedig te kunnen zenden. Als het u bevalt althans. Een goede titel is moeilijk te verzinnen. Ik heb gedacht aan : “Hij werd een Ding”of “De verschrikkelijke verandering van Albert Oster” of “Geen Vlees en geen Vis”, of “De Wekker die Albert heette” etc. Het is moeilijk. Misschien kunt u hier iets uit kiezen. En anders verzin ik nog wel een nieuwe, maar lastig blijft het.
Ik zou u bovendien willen verzoeken, met het weinige beetje brutaliteit, dat er in mij is, de mogelijkheid te willen overwegen mij een voorschot op mijn voorschot te zenden, waarvan de grootte of kleinte geheel van u af hangt. En dan het liefst voor 30 mei : ik verkeer nl. in een financiële put, die zeer diep is. Als het onmogelijk is, begrijp ik dat zeer goed, maar als het wel mogelijk is, zou ik mijn plezier, om zo te zeggen, niet op kunnen. Ik hoop, dat wat ik u nu zend, u bevalt.

Met vriendelijke groet en hoogachting

Uw Remco Campert



Remco Campert was niet de enige met geldnood. Albert van Waasdijk (1879-1943), ambtenaar op de secretarie van de gemeente Rotterdam schreef toneelstukken, vetellingen en kritieken en publiceerde de roman ‘De gele koffer’ die bij van Kampen werd uitegeven.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958) was kunstredacteur bij de Telegraaf en schreef gedichten en vertaalde boeken.

Rotterdam 10 januari 1938.
Aan P.N. van Kampen & Zoon N.V.
Singel 330 Amsterdam c.

Hooggeachte heer van Kampen,

Een onvoorzien omstandigheid noodzaakt mij binnen korten termijn, een bedrag te fourneren, dat ik echter op dit moment niet in zijn geheel bijeen kan brengen, zonder in moeilijkheden te komen. Daarom zou ik u willen verzoeken of er bij u overwegend bezwaar bestaat mij het honorarium voor “De Gele Koffer” reeds nu uit te betalen. Het spijt mij zeer dat ik u dit verzoek moet doen en u moge er zich van overtuigd houden, dat ik het zeker niet euvel zal duiden, wanneer u zich aan de gemaakte overeenkomst wenscht te houden. Doch wellicht is inwilliging van mijn verzoek tot u geen overwegend bezwaar, hetgeen dan ook de overweging is welke mij tot mijn verzoek heeft geleid.

Uw geacht bericht gaarne tegemoet ziend,

Hoogachtend,
Albert van Waasdijk

Waarde Heeren v. Kampen,

Zoudt u mij uit een dringende geldverlegenheid kunnen helpen door mij nogmaals f. 50 voor te schieten op toekomstige honoraria van de Gids. Er komen dezen winter een paar artikelen, en u zoudt mij zeer verplichten. Daar ik deze dagen zeer ongeregeld op de krant ben zoudt u wellicht den brenger dezes het geld of antwoord meegeven.

In haast
Vr. groeten
JWF Werumeus Buning

De werken van Albert van Waasdijk zijn niet meer in Overijsselse bibliotheken voorhanden. Wel kunnen boeken van hem worden aangevraagd via uw eigen bibliotheek. In Worldcat is een overzicht te vinden van wat bibliotheken van Albert van Waasdijk bezitten.

In het boek 'Verhalen rond 1900' samengesteld door Wim Zaal is een verhaal opgenomen van Albert van Waasdijk getiteld: 'De meneer van de derde verdieping'


Boeken van bovengenoemde schrijvers kunnen worden aangevraagd via de bibliotheek.

dinsdag 19 april 2011

Ik Jan Cremer

Alsof een grote steen in een stille vijver was gegooid, zo was de entree van Jan Cremer in de literaire wereld. Tijdens het boekenbal in februari 1964 presenteerde hij zich geheel op eigen wijze. Een door Geert Lubberhuizen ingehuurde groep mannen stormt het schrijversbal binnen en gooit links en rechts het boek ‘Ik Jan Cremer’ naar de gasten. Hoewel er nog geen boek verkocht was, stond linksboven op de cover al de toekomstige status: een onverbiddelijke bestseller. De omslag door Cremer zelf ontworpen, baarde opzien. De auteur zit schrijlings op een Harley, kijkt wat pips in de lens maar ziet er zeker voor die dagen perfect gestyled uit, niet de obligate Terlenkabroek met colbert en stropdas maar een spijkerpak en boven de klep van de pet een stoere motorbril.
Als een publicitaire stoomwals dendert Jan Cremer door het vaderlandse literaire wereldje en verandert dit voorgoed. Niets laat hij aan het toeval over, een zorgvuldig geplande reclamecampagne rond hemzelf, het fenomeen IK JAN CREMER ontvouwt zich. Samen met anderen stuurt hij ingezonden brieven naar het Parool om te getuigen hoe walgelijk en verderfelijk het boek van Jan Cremer was. Het credo is hoe slechter erover je wordt geschreven, des te meer publiciteit en des te meer honger krijgt het publiek naar je boek. In tegenwoordige termen: geniaal bedacht. Het boek verkoopt zo goed dat het in 2008 een 52e druk beleeft. Maar Jan ging door met het werken aan zijn imago en het zoeken van publiciteit, hij bracht een single uit met nummers van John Lee Hooker, reed in een rose Rolls Royce in Londen, zocht contact met de Beatles, arrangeerde ontmoetingen met Jayne Mansfield en met Christa Päffgen meer bekend als Nico van de Velvet Underground en bij dit alles spinde Jan financieel en publicitair garen.
In 1966 schreef Arnold Denis het boek ‘Hij, Jan Cremer’. Achter het pseudoniem zit de vrouw van een voormalige werkgever van Jan Cremer die een vlotte pen heeft en een ontnuchterend boekje open doet over het fenomeen Jan Cremer.

Een van de nieuwkomers die meende in de letterkundige en publicitaire voetstappen van Jan Cremer te kunnen treden, was Lagor Waard. Hij was Haags, fantast en volgens eigen zeggen promotor en zakenman, hij runde een jazz sociëteit en de band The Kicks, wist optredens te organiseren met The Hollies, Dave Berry, Johnny the Selfkicker, Bart Hughes en Simon Vinkenoog. Maar Lagor wilde meer, hij lanceerde het idee van een volksbingo, exposeerde een levende zeemeermin en introduceerde de Miss verkiezingen in Scheveningen. Als Haags fenomeen en provo stuurde hij in 1965 een brief naar het Amsterdams bestuur waarin hij aanbood om voor 100.000 duizend gulden de onlusten rondom provo, het hoofd te bieden wat voor de toenmalige burgemeester Hall aanleiding was om de anti-rook-magiër Robert Jasper Grootveld die zich tijdens de behandeling van de brief in de gemeenteraad, provocerend (zeg maar treiterend) gedroeg, toe te bijten: “Hou je bek” en een rel was geboren. Zo haalde Lagor Waard de landelijke pers want voor de uitgave van zijn boek ‘lagor waard, amen’ (una buena puya) dat in veel doet denken aan Jan Cremers eerste boek, was nauwelijks belangstelling terwijl volgens de auteur tussen hem en Shakespeare niets noemenswaardig heeft plaatsgevonden op literair gebied. In het voorwoord schreef Lagor Waard:
“IK LAGOR WAARD ben er de jongen niet naar om een boek bij elkaar te praten. Dat ik het toch doe is om de poen maar ook om jullie allemaal, van hoer tot minister en voor klootzak tot weet ik wat aan je trekken te laten komen. Maar dan zo dat je er allemaal wat van overhoudt, zo wil het de Porgel enz. enz. De toon is gezet, het boek verkoopt nauwelijks en vele jaren later duikt Lagor Waard op als ideeën-ontwikkelaar van het recreatiepark Lagorama, weer later als eigenaar van hotel Wassenaar met in het eerste jaar een verlies van zes ton om enige jaren nadien als directeur van het beleggingsfonds Albeco met de bijnaam ‘Diamanten Adje’ een groep beleggers op te lichten met ‘niet gekochte’ diamanten die hem uiteindelijk in de gevangenis doen belanden.
Zo kon het ook gaan. Geïnteresseerd in Lagor Waard? Zijn boek is volgens WorldCat te vinden in een beperkt aantal bibliotheken maar kan wel in iedere bibliotheek worden aangevraagd.